Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar draaiorgel

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

draaiorgel

Encyclopedieartikel

draaiorgel (Fr.: orgue de barbarie; Duits: Drehorgel en Leierkasten; Eng.: barrel organ; Ital.: organino), een (meestal) mechanisch pijporgel dat functioneert doordat er aan een wiel wordt gedraaid. Men onderscheidt:

a. kermisorgels, vooral in gebruik in Frankrijk, België, Duitsland en Nederland;

b. dansorgels, die vooral in België en in het zuiden van Nederland in cafés en danszalen worden aangetroffen;

c. straatdraaiorgels of pierementen (v. Bargoens pieren = muziek maken), welke bij uitstek Nederlands zijn en waarmee Nederland in het buitenland een reputatie heeft verworven.

De straatdraaiorgels worden met de hand of door middel van een motor gedraaid, waardoor het speelmechaniek in beweging wordt gezet. Ze hebben een beperkte omvang, omdat zij verrijdbaar zijn. De kermisorgels en dansorgels zijn vaak veel groter dan de straatdraaiorgels en worden uitsluitend motorisch gedraaid. Kermisorgels hebben meestal een fel en doordringend klankkarakter: tot de kenmerkende registers van deze orgels behoren mixturen, trompetten, felle piccolo's en zware baritons. Dansorgels hebben wel talrijke registers, maar klinken minder sterk dan kermisorgels. Zij zijn speciaal geschikt voor ritmische muziek en zijn voorzien van uitgebreid slagwerk. Pierementen zijn in Nederland eind 19de eeuw ingevoerd door de te Amsterdam wonende Belg Leon Warnies. Hij bestelde de orgels in hoofdzaak bij fabrikanten in Frankrijk en België, die in die tijd overgingen tot de vervaardiging van boekorgels, ter vervanging van de tevoren gebruikte cilinderorgels.

Bij de cilinderorgels konden slechts acht melodieën naast elkaar op een cilinder worden gestoken. Wanneer aan een cilinderorgel werd gedraaid, had dit tot gevolg dat wind in de balg werd gepompt en de cilinder draaide, waardoor de daarin gestoken stiften pennen oplichtten, hetgeen een luchttoevoer naar de fluiten mogelijk maakte. Boekorgels werden sedert 1892 gemaakt, het eerst door de uit Italië afkomstige en sedert 1845 te Parijs gevestigde fabrikant Gavioli. De composities werden nu ieder in een afzonderlijk opvouwbaar kartonnen boek geponst, waardoor een onbeperkt repertoire mogelijk werd. Gavioli, Casparini, Limonaire (Frankrijk) en De Cap, Burssens, Mortier, De Vreese, Steenpunt (België) fabriceerden vele draaiorgels, die thans nog in de Nederlandse steden te beluisteren zijn. Vele van deze orgels werden tussen 1920 en 1940 verbouwd en gemoderniseerd door de toen te Breda wonende fabrikant Carl Frei (1884–1967), tevens componist van oorspronkelijke draaiorgelmuziek (vooral marsen en serenades). De bekendste registers van het pierement zijn de ‘bourdon’ (dubbele, onderling zwevend gestemde, gedekte pijpen) en de ‘vioolceleste’ (strijkend klinkende open pijpen). De pijpen zijn vrijwel steeds van hout, aangezien metalen pijpen door temperatuurschommelingen snel ontstemd raken.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum