![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search contrabas (Fr.: contrebasse; Duits: Kontrabass; Eng.: double bass of string bass; Ital.: contrabasso), het grootste en qua toon laagste strijkinstrument, met vier (E1, A1, D, G) of – tegenwoordig meestal – vijf snaren (C1, enz.). De notatie wordt één octaaf hoger opgegeven, met een omvang van C1 of E1 tot a1 in orkestpartijen, voor solopartijen hoger. Het instrument is ca. 193 cm hoog (de klankkast 110 cm). De contrabas wordt gebruikt als basinstrument van de vioolfamilie. Van de twee thans gebruikelijke typen heeft er één de gamba-kenmerken (aflopende lijn van de schouders, relatief korte hals, vlak achterblad, waarin soms een knik zit, en de kwartenstemming van de snaren). De – minder gebruikelijke – bas van het viooltype heeft een gewelfd achterblad, enigszins ronde schouders, die aan de hals iets oplopen ter vergemakkelijking van het spel in hoge posities. Tot in de 19de eeuw werden driesnarige contrabassen gebruikt (A1, D, G of G1, D, A), die door de relatief geringe druk op het instrument een glanzender en vollere toon bezaten dan de vier- of vijfsnarige instrumenten. Vrijwel alle spelmogelijkheden voor strijkinstrumenten zijn op de contrabas uitvoerbaar, al moet rekening worden gehouden met een zekere traagheid van het instrument. Tot in Haydns tijd werd de contrabas uitsluitend gebruikt ter verdubbeling van de cellopartij in het lagere octaaf. Pas daarna kreeg het instrument een zelfstandige functie, maar bleef desondanks een typisch orkestinstrument. Enkele componisten die voor de contrabas hebben geschreven, zijn: K. Ditters von Dittersdorf (1739–1799), G.A. Capuzzi (1755–1818), D. Dragonetti (1763–1846) en M. Constant (1925). De contrabas is het enige strijkinstrument dat zeer veelvuldig in de jazzmuziek wordt gebruikt, m.n. in de ritmesectie, waar het vnl. pizzicato bespeeld wordt.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |