Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar communisme

Resultaten van Windows Live® Search

  • Communisme - Wikipedia

    Communisme is een klasseloze maatschappijvorm met een economisch systeem gebaseerd op gemeenschappelijk eigendom van productiemiddelen, waarbij eenieder produceert naar vermogen en ...

  • /Geschiedenis Dossiers: Communisme

    Communisme: Dossier /Geschiedenis ... Het begon in de Sovjet-Unie in 1917, maar verspreidde zich weldra over de hele wereld.

  • Politiekejongeren

    Adverteren of kopen van politiekejongeren.nl en andere interessante domeinnamen. De domeinnaam politiekejongeren.nl wordt nog niet gebruikt: Deze naam zal binnenkort worden ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 5 van 5

communisme

Encyclopedieartikel
Multimedia
Mao ZedongMao Zedong
Artikeloverzicht

8.1 De communistische grootmachten

De belangrijkste oorzaak leek de economische en sociale crisis van de Sovjet-Unie te zijn. De topzware staatsbureaucratie werkte een inefficiënte productie en een corrupte politieke elite in de hand. Bovendien slibde langzamerhand het bestuursapparaat dicht, zodat aan de top een onoplosbare impasse ontstond tussen conflicterende groepjes zeer oude politieke leiders (gerontocratie).

Na zijn aantreden,, in 1985, introduceerde de wat jongere Michail Gorbatsjov een nieuwe Sovjet-ideologie, gebaseerd op perestrojka en glasnost. Met de perestrojka (= hervorming) streefde hij een modernisering van economie na, met de glasnost (= openheid) een liberalisering van de politiek en het openbreken van het bestuur.

Al snel kregen de hervormingen en de grotere openheid een eigen dynamiek. Ten eerste bleek hoe erg de Sovjet-economie eraan toe was. Ten tweede kregen een deel van het partijapparaat en groepen uit de bevolking dankzij de grotere openheid de ruimte voor het ventileren van hun politieke aspiraties. Daardoor nam de druk toe om het bestuur van het land te democratiseren. Tegelijkertijd bood deze democratisering, die voor een deel ook een grotere autonomie van de afzonderlijke republieken impliceerde, de basis voor de opkomst van sterke nationalistische bewegingen.

In de zuidelijke sovjetrepublieken ontketenden deze bewegingen aan het eind van de jaren tachtig in volksopstanden die de Sovjetheersers in bloed probeerden te smoren. Zij moesten in 1991 wel de onafhankelijkheid van de Baltische staten erkennen. Ook in de Russische Federatie, de grootste sovjetrepubliek, namen onder leiding van de radicale hervormer Boris Nikolajevitsj Jeltsin de nationalistische aspiraties toe. Tegelijkertijd staken fascistische en xenofobe bewegingen, die tot dan toe officieel niet bestonden, weer de kop op, zoals de eng-nationalistische en antisemitische Pamjatbeweging.

De ontwikkelingen resulteerden in het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan het eind van 1991, nadat een machtsstrijd tussen Jeltsin en Gorbatsjov ten gunste van de eerste was beslecht. Een aantal van de zestien ex-sovjetrepublieken vormde een samenwerkingsverband onder de naam Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), te weten de Russische Federatie, de Oekraïne, Wit-Rusland, Armenië, Azerbeidzjan, Moldavië, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan.

Nog tijdens het bestaan van de Sovjet-Unie besloot de Opperste Sovjet tot privatisering van de staatsbedrijven en invoering van een aantal vrije-marktprincipes, waarmee de grondslagen van de planeconomie, de kern van de communistische economische theorie, werden aangetast. De Opperste Sovjet nam verder afstand van het marxisme-leninisme als leidende ideologie, schafte het monopolie van de communistische partij af en beëndigde de bevoorrechte positie van de kaderleden. Wel bleek al snel dat het oude partijkader moeilijk te vervangen was en dat met name in de Aziatische republieken voormalige communistische functionarissen sleutelposities bleven bekleden.

Met de afschaffing van het marxisme-leninisme kon ook een aantal grondrechten, die formeel in de grondwet altijd al een plaats hadden, opnieuw worden geformuleerd. Er ontstonden nieuwe politieke partijen en groeperingen, de censuur bij pers, radio en televisie werd afgeschaft (overigens tegen de wil van het Volkscongres) en de vrijheid van godsdienst wekte nieuwe belangstelling voor met name de orthodoxe Kerk, terwijl andere religieuze groeperingen en sekten, vaak van buitenlandse origine, een grote toeloop kenden.

In de andere communistische grootmacht, de Volksrepubliek China, was al sinds Nixons ‘ping-pongdiplomatie’ van het begin van de jaren zeventig sprake van een geleidelijke economische liberalisering. Privé-ondernemerschap werd in de jaren tachtig op beperkte schaal toegestaan. Aan het eind van de jaren tachtig bleek echter dat dit niet gepaard ging met politieke liberalisering. Toen in mei en juni 1989 een grote groep studenten het Plein van de Hemelse Vrede in Peking bezet hield om democratiseringen af te dwingen, beantwoordde het regime deze actie met bloedige repressie. Het sloot de grenzen gedurende enige tijd hermetisch af, waarna het de economische liberalisering weer voortzette. China is tezamen met Noord-Korea, Laos, Vietnam en Cuba één van de weinige landen die het communisme als regime nog altijd weten te handhaven.

8.2 De satellietstaten

Anders ging het in de satellietstaten van de Sovjet-Unie, waar vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, en met een tempoversnelling in 1989, de overgang van een communistische naar een democratische orde en een vrijemarkteconomie zijn beslag kreeg. Voorop in deze ontwikkeling ging Polen. Al vanaf de jaren zestig, met hoogtepunten in 1970 en 1976, vonden daar met enige regelmaat stakingsacties plaats van industriearbeiders. In 1980 brak een staking uit op de Leninwerf in Gdansk, geleid door Lech Wałesa, die uitmondde in de oprichting van de eerste onafhankelijke vakbond, Solidariteit. De Poolse leider Wojciech Jaruzelski kondigde als reactie hierop de staat van beleg af. Solidariteit werd verboden, maar door pressie van de katholieke Kerk, de van oorsprong Poolse paus Johannes Paulus II en vooral door aanhoudende druk van stakingen, hief het bewind aan het eind van de jaren tachtig het verbod weer op.

Na het opheffen van de noodtoestand begonnen in 1988 ronde-tafelgesprekken tussen de communistische leiders en de oppositie, uitmondend in een compromis waarbij een coalitieregering werd gevormd. In 1990 hief de communistische partij zich op en in hetzelfde jaar werd Wałesa tot president gekozen als opvolger van Jaruzelski.

Een vrijwel geweldloze revolutie vond ook plaats in Hongarije, Tsjechoslowakije, Bulgarije en de Duitse Democratische Republiek. In de laatste maanden van 1989 volgden de gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op. Na langdurige en massale demonstraties werden in het ene land na het andere gesprekken tussen de communistische regeringen en de oppositie geopend, waarbij dissidenten een vooraanstaande rol speelden. Dit resulteerde niet alleen in democratische verkiezingen en de invoering van een liberale economische orde, maar ook in de opheffing van de beperkingen voor het verkeer met de westerse landen, gesymboliseerd door de opening van de Berlijnse Muur op 9 november 1989, gevolgd door de hereniging van de twee Duitslanden op 3 oktober 1990.

Door het wegvallen van de Sovjet-Russische bescherming en druk kwamen in Tsjechoslowakije de tegenstellingen tussen Slowakije en de rest van het land tot uiting. De eerste naoorlogse democratisch gekozen president van Tsjechoslowakije, de schrijver Václav Havel, kon niet voorkomen dat met ingang van 1 januari 1993 de staat uiteenviel in de republieken Tsjechië en Slowakije.

Minder geweldloos verliep de omwenteling in Roemenië, waar in december 1989 een volksopstand bloedig werd neergeslagen, maar de strijdkrachten zich later solidair verklaarden met de opstandelingen. Dat leidde uiteindelijk tot de val van het regime-Ceauşescu en de executie van president Ceauşescu en zijn vrouw Elena.

In 1990 kwam ook een omwenteling in Albanië op gang, gevolgd door de eerste vrije verkiezingen in maart 1991.

De centrale, door Serviërs gedomineerde communistische partij in Joegoslavië raakte het overwicht kwijt toen in Slovenië en Kroatië nationalisten het verval van het communisme gebruikten om de macht te krijgen. De sinds de dood van Tito steeds duidelijker aan de dag tredende tegenstellingen tussen de diverse volkeren in Joegoslavië leidden tot het zelfstandig worden van Slovenië, Kroatië en Macedonië. De Serviërs slaagden er daarbij in een groot deel van Kroatië en grote delen van het door hen niet als een zelfstandig land beschouwde Bosnië-Hercegovina te bezetten. De (Bosnische) Kroaten bezetten een ander deel, zodat er voor de moslims een klein deel overbleef, waarna een federatie tussen Bosnische Kroaten en moslims werd gesmeed.

Een belangrijke oorzaak van de snelheid waarmee een en ander plaatsvond was, behalve de toenemende onbestuurbaarheid van de voormalige satellietstaten, vooral de weigering van de Sovjet-Unie onder het bewind van Gorbatsjov om nog langer de verantwoordelijkheid te nemen voor het lot van de politieke bondgenoten in Oost-Europa. Anders dan in Hongarije (1956) of Praag (1968) stuurde de Sovjet-Unie geen tanks. Hieruit blijkt ook in hoe sterke mate de communistische regimes afhankelijk waren van militaire steun van de Sovjet-Unie. In de loop van 1990 begon de Sovjet-Unie haar troepen uit Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen en de voormalige DDR terug te trekken. In februari 1991 werd in Boedapest besloten het Warschaupact te ontbinden.

De Raad voor Wederzijdse Economische Bijstand, COMECON, de in 1949 opgerichte organisatie ter bevordering van economische samenwerking van communistische staten, werd op 21 juni 1991 in Boedapest opgeheven.

Na de eerste euforie over de val van het communisme volgde de pijn van de overgang naar de markteconomie. In een aantal landen kwamen de oud-communisten onder een andere naam (tijdelijk) terug op het pluche. Hoewel Polen, Tsjechië, Hongarije en Slovenië zich redelijk ontwikkelden, waren er aan het begin van de 21ste eeuw in Midden- en Oost-Europa, evenals in de voormalige sovjetrepublieken, nog veel maatschappelijke problemen. De koopkracht daalde aanvankelijk enorm, en de gezondheidszorg, het onderwijs en de oudedagsvoorziening bleken zich moeilijk aan te passen aan de vrijemarkteconomie.

8.3 De westerse staten

Vanaf het moment dat de communistische partijen de banden met de Sovjet-Unie losmaakten, in de loop van de jaren zeventig, raakten de communistische bewegingen in de westerse staten afgesneden van de financiële en ideologische rugdekking van het Kremlin. Ook bleek dat het communisme als ideologie voor het voeren van politieke strijd in de westerse verzorgingsstaten zijn beste tijd had gehad. De communistische partijen raakten daardoor in een ernstige crisis. Zij vielen veelal uiteen. Er resteerden doorgaans een kleine splintergroep die trouw bleef aan de marxistisch-leninistische dogma's, naast grotere groepen die aansluiting zochten bij de nieuwe sociale bewegingen, zoals de milieubeweging, de vredesbeweging of de vrouwenbeweging. Het communistische ideeëngoed, dat uitgaat van het primaat van de klassenstrijd, ten opzichte waarvan alle andere politieke vraagstukken slechts een secundair belang zouden hebben, raakte op de achtergrond. Het bestaansrecht van een aparte communistische partij verdween daardoor.

In Nederland resulteerde deze ontwikkeling voor de CPN (Communistische Partij van Nederland) in het verlies van de laatste Kamerzetel bij de verkiezingen van 1986 en, drie jaar later, in de fusie met de andere radicaal linkse partijen PPR, PSP en EVP in Groen Links. In Frankrijk liep de communistische partij onder leiding van de orthodoxe communist Marchais steeds verder leeg, terwijl de lange tijd zeer sterke Italiaanse communistische partij zich onder invloed van de gebeurtenissen in Oost-Europa omzette in een sociaal-democratische partij.

Vorige
| | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum