![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 4 van 5
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Het vroege communisme; 2. De leer van Karl Marx; 3. Rusland; 4. Vervorming van het communisme; 5. Het stalinisme; 6. De sovjetstaat; 7. Communisme buiten de Sovjet-Unie; 8. Het verval
Jarenlang richtten de communisten zich vooral tegen de ‘sociaal-fascisten’ genoemde sociaal-democraten, die zij als ‘handlangers van de bourgeoisie’ beschouwden. Toen in 1933 Adolf Hitler aan de macht was gekomen, heerste in Moskou de verwachting dat nu de ondergang van het ‘kapitalisme’ moest komen en dat het regime van de nationaal-socialisten de laatste fase van een ten ondergang gedoemde maatschappijvorm was. Weldra was de hoop vervlogen dat een communistische revolutie de nazi's uit het zadel zou tillen. In 1934 vond een scherpe koerswijziging plaats: met de ‘Volksfrontpolitiek’ beoogden de communisten een samengaan van alle ‘anti-fascistische’ krachten (zie ook Volksfront). Vooral tijdens het begin van de Spaanse Burgeroorlog werd de nieuwe lijn gevolgd (1936 en 1937). De communistische partijen boekten aanzienlijke successen. Niet slechts arbeiders, maar ook tal van intellectuelen sloten zich erbij aan. In de democratische landen schenen de communisten betrouwbare medestrijders in de strijd tegen het totalitarisme van rechts. Het Molotov-Ribbentrop-pact van augustus 1939 en de tegen de democratieën gerichte houding van de communisten tot aan de Duitse overval op de Sovjet-Unie (juni 1941) hebben slechts tijdelijk de communistische partijen verzwakt. In de tweede helft van de Tweede Wereldoorlog speelden zij een belangrijke rol in de verzetsbewegingen.
Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich in sommige landen communistische regimes min of meer op eigen kracht. Dit is het geval geweest in Joegoslavië, Albanië, China (het maoïsme), (Noord-)Vietnam en Cuba, waar onder Fidel Castro een eigen vorm van communisme ontstond, die in de jaren zeventig en tachtig naar Afrika zou worden ‘geëxporteerd’. In de overige landen waar het communisme de macht greep, gebeurde dit vooral dankzij Russische militaire en politiële interventie. De communistische macht moest zich ook een aantal malen gewapenderhand verdedigen tegen opstanden (DDR, 1953; Polen, 1956; Tsjechoslowakije, 1948, 1968; Hongarije, 1956). In 1948 kwam het tot een breuk tussen Moskou en Joegoslavië; Josip Tito en de zijnen wilden onder de politieke druk en economische uitbuiting van de Sovjet-Unie vandaan. Het ontstaan van breuken is vergemakkelijkt door Chroesjtsjovs ‘geheime’ rede van 1956, die een aantasting van het geloof in de onfeilbaarheid van de leermeesters en daarmede ook van de leer inhield. Voor de meeste landen in Oost-Europa bleek de hoop op een gematigder koers vooralsnog ijdel. Roemenië zag weliswaar kans onder Gheorghe Gheorghiu-Dej en Nicolae Ceauşescu ten opzichte van Moskou een zelfstandige koers te varen in de buitenlandse politiek, maar binnenlands bestond een ongemeen harde repressie.
De communistische partijen in het Westen konden zich gemakkelijker losmaken van de leiding van Moskou. De mogelijkheid hiertoe werd na Chroesjtsjov groter, zeker sinds de tegenstelling tussen China en de Sovjet-Unie openlijk aan het licht kwam (1961). Hierdoor werd de overheersende positie van de Sovjet-Unie minder vanzelfsprekend en de eenheid van de communistische ideologie gebroken. Albanië koos in 1961 de zijde van China. Van een werkelijke liberalisering was pas sprake in de jaren zeventig. TEen belangrijke stap op weg naar spreiding van de macht was de topconferentie in Oost-Berlijn in 1976, waaraan communistische partijen uit zowel Oost- als West-Europa deelnamen. Dit topberaad erkende het recht van iedere communistische partij op ‘een eigen weg naar het socialisme’ en verving de geijkte formule van het proletarisch internationalisme door een vagere omschrijving over onderlinge solidariteit. In de praktijk betekende dit dat Moskou aan de communistische partijen in het Westen de vrijheid van een eigen koers bood. Om zich te onderscheiden van de overige varianten van het communisme gebruikten de westerse partijen het begrip eurocommunisme. Op een conferentie te Madrid in maart 1977 namen de leiders van de Spaanse, Italiaanse en Franse communistische partijen de mogelijkheid van een democratische weg naar het socialisme in de Eurocommunistische leer op, waarmee zij duidelijk stelling namen tegen de theorie van het Russische communisme en hun zelfstandigheid verwoordden. Een ander eigen theoretisch punt van het Eurocommunisme is de afzwering van de dictatuur van het proletariaat.
De liberaliseringstendensen in het Westen gingen vergezeld van parallelle ontwikkelingen in de Oost-Europese landen. Dissidenten traden met hun kritiek op het systeem meer op de voorgrond, hoewel zij nog altijd het slachtoffer waren van vervolging en gevangenneming (zie bijvoorbeeld Charta ‘77). Zij hadden een steun de rug met de slotakte van Helsinki, de overeenkomst van de Conferentie van Veiligheid en Samenwerking in Europa, waaraan onder meer de communistische landen in Europa (behalve Albanië) deelnamen. Zij verplichtten zich daarin aan een zekere mate van mensenrechten, persoonlijke vrijheid en vrijheid van informatie.
In de jaren tachtig begon het verval van het communisme als politiek systeem. Dit heeft twee belangrijke oorzaken: de economische en sociale crisis in de communistische wereld en de desoriëntatie waaraan de communistische partijen in de niet-communistische landen ten prooi vielen nadat zij zich hadden losgemaakt van de moederbeweging.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |