![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 5
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Het vroege communisme; 2. De leer van Karl Marx; 3. Rusland; 4. Vervorming van het communisme; 5. Het stalinisme; 6. De sovjetstaat; 7. Communisme buiten de Sovjet-Unie; 8. Het verval
In het revolutiejaar 1917 kende Lenin weliswaar aan de sovjets (‘raden’) van arbeiders en soldaten grote betekenis toe als instrumenten voor de overwinning, maar niet als kernen van een nieuwe maatschappelijke orde. De eerste sovjets waren in 1905 als organen van de arbeiders in de bedrijven ontstaan, onder invloed van mensjevistische denkbeelden (zie mensjevisme). In 1917, na de ‘burgerlijke’ Februarirevolutie, vormden zij zich opnieuw. Door lokale, regionale en landelijke vereniging kregen zij het karakter van een staat in de staat. Vooral in Petrograd en Moskou streden de verschillende socialistische partijen fel om het overwicht in de sovjets, waarbij de bolsjeviki (Lenins richting; zie bolsjevisme) het althans in deze steden wonnen van de mensjeviki en de sociaal-revolutionairen, die de kern van de regering vormden.
De sovjets werden als hefboom gebruikt om die regering ten val te brengen, maar na de overwinning keerde Lenin zich tegen de ‘raden’ als kiemcellen van een gedecentraliseerde sociale democratie. Reeds in juni 1918 waren de fabriekssovjets feitelijk van hun macht beroofd, doordat de directies niet langer gekozen, maar door de regering benoemd werden. Lev Trotski voerde in het leger een drastische disciplinering door, die aan alle democratische illusies een einde maakte. Het langst handhaafde zich de eigenlijke sovjettraditie onder de matrozen van de Oostzeevloot en de arbeiders op de marinewerven van Kronstadt. In maart 1921 kwamen zij in opstand tegen de dictatuur van de Communistische Partij en haar leiding. De Kronstadter opstandelingen, die vrije verkiezingen voor de sovjets eisten alsmede vrijheid van propaganda voor andere socialistische partijen, waren tegen de georganiseerde macht van het regime niet opgewassen.Na hun nederlaag werden ze geliquideerd of gevangen gezet (een aantal ontsnapte over het ijs naar Finland). Sinds 1921 waren de sovjets schijnparlementen, verlengstukken van het door de partij opgebouwde en beheerste machtsapparaat. Het eveneens in maart 1921 gehouden 10de Partijcongres bezegelde tevens de ondergang van de voordien actieve linkse oppositie (de ‘Democratische Centralisten’, de ‘Arbeidersoppositie’ en andere groepen). De ontwikkeling van een totalitaire staat voltrok zich nog tijdens Lenins leven. De reeds voor zijn dood in 1924 ontbrande strijd om de opvolging was, hoezeer daarin ideologische wapens werden ingezet, veeleer een gevecht om wie het apparaat zou beheersen dan een strijd om beginselen. De secretaris-generaal van de partij, Josif Stalin, die tot dan toe verhoudingsgewijs weinig op de voorgrond getreden was, nam de sterkste positie in en won, mede dankzij het handig tegen elkaar uitspelen van coterieën binnen de partij, die van etiketten ‘links’ en ‘rechts’ werden voorzien. Trotski werd in 1926 uit de partij gestoten en weldra verbannen. De meeste medewerkers van Lenin kwamen tijdens de grote ‘zuiveringen’ van 1936–1938 aan hun einde, doorgaans na een schijnproces waarin zij ter dood werden veroordeeld (o.a. Boecharin, Radek, Zinovjev, Kamenev). Met hulp van zijn politieke politie ruimde Stalin duizenden werkelijke en vermeende tegenstanders uit de weg.
Met de vestiging van een machtsapparaat dat tot alle geledingen van de samenleving doordrong, versterkte Stalin het totalitaire karakter van het marxisme-leninisme (stalinisme). Vóór de Tweede Wereldoorlog had hij het sovjet-patriottisme geproclameerd. Het communistische regime slaagde erin de Sovjet-Unie in snel tempo en ten koste van enorme offers te ontwikkelen tot een industriële en militaire mogendheid. Een andere drijfkracht was de voorgeschreven ‘kritiek en zelfkritiek’. In de praktijk was dat een vernederende plicht tot periodieke zelfbeschuldiging, waarvan slechts Stalins gunstelingen waren vrijgesteld. Een novum was de opvatting – later met nadruk in de Volksrepubliek China gehuldigd – dat naarmate de ‘socialistische opbouw’ vorderde, de ‘waakzaamheid’ ten aanzien van onbetrouwbare elementen vergroot en het machtsapparaat dienovereenkomstig versterkt moest worden. Marx en Engels (en zeker tot 1918 ook Lenin) hadden altijd de mening verkondigd dat het communisme zich zou kenmerken door het ‘afsterven van de staat’, de inkrimping en ten slotte verdwijning van de regeringsmachinerie als heerschappij van de ene klasse over de andere. Stalin proclameerde in het land, waar volgens hem de tegenstellingen tussen de klassen hun antagonistisch karakter hadden verloren, de verscherpte klassenstrijd. Als motief kon hij behalve het bestaan van ‘resten’ van de ‘bourgeoisie’, de ‘kapitalistische omsingeling’ van de Sovjet-Unie aanvoeren. In mei 1945 prees Stalin het Groot-Russische volk als het ‘heldhaftigste’ van alle naties die de Sovjet-Unie vormen. De strijd tegen het ‘kosmopolitisme’ werd vooral door Andrej Zjdanov in de jaren 1946–1948 gevoerd. De ‘partijdigheid’ van filosofie, wetenschap en kunst werd tot dogma verheven.
De Russische vijfjarenplannen konden slechts worden uitgevoerd ten koste van een onderwerping van de boeren, die onder het mom van een rationelere bedrijfsvoering gedwongen werden tot collectivisatie van de landbouw. Deze gedwongen afstand van grondbezit bracht boeren bijeen in collectieve boerderijen (kolchozen en sovchozen) en maakte het mogelijk goedkope werkkrachten te verkrijgen en de middelen samen te brengen die nodig waren voor de industrialisatie.
Jarenlang heerste in het land dat zelf pretendeerde ‘het meest democratische ter wereld’ te zijn, de politieke politie over een miljoenenleger van arbeidsslaven. Maar ook de ‘vrije’ arbeiders waren onderworpen aan een draconische arbeidswetgeving, die hen onder meer verplichtte officieel toestemming te vragen voor een verandering van van werkkring. De leiding van de nieuwe industriële en landbouwbedrijven kwam in handen van specialisten, die in verhouding tot de gewone man weliswaar grote risico's liepen in ongenade te vallen, maar tevens materieel begunstigd werden. De afstand in inkomens en feitelijke voorrechten van de ‘nieuwe klasse’, waartoe ook partij- en staatsfunctionarissen alsmede een aantal kunstenaars en wetenschapsbeoefenaren behoorden, en die van de grote massa werd onder Stalin steeds groter en bleef nadien bestaan.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |