![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. Het vroege communisme; 2. De leer van Karl Marx; 3. Rusland; 4. Vervorming van het communisme; 5. Het stalinisme; 6. De sovjetstaat; 7. Communisme buiten de Sovjet-Unie; 8. Het verval
communisme (van het Latijnse woord communis = gemeenschappelijk), maatschappelijk stelsel waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk eigendom zijn van de staatsburgers. Bij de verdeling van de voortgebrachte goederen en diensten wordt het beginsel gevolgd dat elk lid van de gemeenschap erover kan beschikken naar behoefte. In politieke zin is communisme ook de beweging die streeft naar een maatschappelijke orde waarin die toestand zal zijn bereikt. In de praktijk is het woord communisme gebruikt voor een aantal politieke stromingen en partijen in de 19de en 20ste eeuw. Plato ontwierp in zijn Staat een ideale orde op communistische grondslag, maar met scherp gescheiden standen. De eerste christenen stelden zich een gemeenschap der apostelen ten voorbeeld, die ‘alles gemeenschappelijk’ hadden: ‘Aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte’ (Handelingen 4:32, 35). Sinds de renaissance zijn tal van ‘utopieën’ geconstrueerd, waarvoor die van Plato meestal model stond (Thomas More en Tommaso Campanella zijn de bekendste auteurs). Aansluitend bij de gevoels- en gedachtewereld van de eerste christenen zijn in de loop der geschiedenis verschillende bewegingen ontstaan die een gemeenschap van gelovigen naar communistische beginselen wilden inrichten, zoals de meeste kloosterorden, de ‘ketterse’ waldenzen in de middeleeuwen of de wederdopers in de 16de eeuw. Zowel de ‘utopisch’ sociaal-filosofische als de radicale interpretatie van de christelijke leer heeft direct of indirect het denken van negentiende-eeuwse socialistische of communistische theoretici bevrucht (een waterdichte scheiding tussen communisme en socialisme is dan nog niet te maken). Leverden die stromingen het materiaal voor een communistische ideaalvoorstelling, het marxisme en daarmede ook het 20ste-eeuwse communisme hebben essentiële denkpremissen overgenomen van een aantal Franse maatschappijfilosofen uit de 18de eeuw, Jean-Jacques Rousseau in het bijzonder. Maximilien de Robespierre en Saint-Just achtten zich als dragers en uitvoerders van de ‘algemene wil’ gerechtigd tot de Terreur, tot de ‘despotie der vrijheid’, zoals Marat het uitdrukte, die gemystificeerd werd tot de hoogste vorm van democratie.
Het communisme als politieke beweging begint met het babouvisme, de leer van Babeuf, waarin het ideaal van een gemeenschap van gelijken zich tot een integraal communisme concretiseerde. Vooral Babeufs medestander Filippo Michele Buonarroti verbreidde de ideeën van een radicaal communisme, die in de jaren dertig van de 19de eeuw wortel schoten. De bloeitijd van het vroege communisme is het decennium vóór de revolutie van 1848 (zie revolutiejaar 1848). Het is de tijd waarin de term communisme voor het eerst ingang vond en waarin bepaalde communistische richtingen in Frankrijk zich uitdrukkelijk op het proletariaat gingen beroepen. De opkomende arbeidersklasse (de eerste grote stakingsbeweging in Frankrijk, die van de Lyonse zijdewevers, dateert van 1831) vond in Étienne Cabet een van haar ijverigste pleitbezorgers. Hoewel tegenstander van een gewelddadige revolutie, kwam hij niettemin tot de overtuiging dat op samenwerking van de arbeiders met de meer bevoorrechte klassen niet te rekenen viel. Cabet predikte het ideaal van een straf georganiseerde maatschappij, waarin de vrijheid slechts bestaat in de mogelijkheid ‘datgene te doen wat de wet niet verbiedt en datgene na te laten waartoe de wet niet verplicht’. De Franse communisten vonden onder de Duitse emigranten in Parijs (handwerkers en intellectuelen) veel aanhang, onder wie de belangrijkste theoreticus Karl Marx. In 1843 naar Parijs gekomen, bekeerde hij zich in enkele maanden tot het communisme.
Voor Marx is het communisme doel van de geschiedenis. Dit doel wil hij dialectisch uit de historie afleiden. Een wetenschappelijke analyse van het toenmalige kapitalisme is een onderdeel van Marx’ interpretatie van de geschiedenis, en dient onder meer om het geloof in de zekerheid van het communisme te ‘bewijzen’: het kapitalisme schept in het proletariaat zijn eigen doodgravers. Ondanks Marx’ verzekering aan de arbeidersklasse, dat zij de heersende klasse van de toekomst zal zijn en haar ‘dictatuur’ zal vestigen, verwierven zijn theorieën in de twintigste eeuw voornamelijk aanhang, of veroverde het de macht in landen waar het proletariaat gering in aantal was (zie ook marxisme). Het is duidelijk dat het marxisme, als theorie van de sociaal-economische ontwikkeling opgevat, voor het Rusland van het begin van de 20ste eeuw geen andere conclusie toeliet dan dat dit land een burgerlijk-kapitalistische fase zou moeten doormaken, voordat een proletarische revolutie kon ontstaan. Marx zelf, wiens revolutionaire wil herhaaldelijk in botsing kwam met zijn wetenschappelijke inzichten, heeft echter nog in zijn sterfjaar (1883) uitgesproken dat Rusland wellicht die kapitalistische fase zou kunnen overslaan dankzij het bestaan van de mir, de collectieve dorpsgemeenschap. Met hulp van de geïndustrialiseerde landen van het Westen zou het dan meteen de weg naar het socialisme kunnen betreden. Van groter belang voor het begrijpen van het moderne communisme vanuit Marx’ opvattingen is de houding die hij tegenover de Duitse revolutie van 1848–1849 innam. De situatie in Duitsland in die jaren valt in menig opzicht te vergelijken met die van Rusland in de tijd dat het programma van Lenin vorm kreeg. In Duitsland vormde de arbeidersklasse een numeriek vrij onbelangrijk element. Daar Marx echter deze klasse als de draagster bij uitstek van de onvermijdelijk geachte socialistische revolutie beschouwde, die zij per definitie moest willen en nastreven, was hij van mening dat zij een zorgvuldig doordachte tactiek moest toepassen. Marx besefte dat de revolutie die in werkelijkheid plaatsvond, geen andere dan een ‘burgerlijke’ kon zijn, gedragen door de bourgeoisie, de kleine burgerij en de boeren. Maar het proletariaat moest haar helpen slagen met de bedoeling, haar zover mogelijk uit te breiden. De bourgeoisie zou, zodra zij de overwinning had behaald, de revolutie als geëindigd willen beschouwen, en het proletariaat moest dan, samen met de kleine burgerij en de arme boeren, verdergaande eisen stellen. Marx proclameerde de revolutie in permanentie. Het proletariaat zou zich tegen zijn vijanden van elk middel moeten bedienen, ook van een scherpe terreur. Natuurlijk vereiste een dergelijke tactiek een organisatie van geschoolden. Deze Communistenbond was in feite een groep ‘beroepsrevolutionairen’ onder leiding van intellectuelen, in de eerste plaats Marx zelf. Na de teleurstellingen die Marx en Friedrich Engels over de revolutionaire capaciteiten van het Engelse en het Duitse proletariaat ondervonden, verschoof het accent naar de onvermijdelijkheid van een groeiend proletariaat, zowel in aantal als macht. (Zie ook klassenstrijd).
In het Rusland van de 19de en het begin van de 20ste eeuw vormde de industriële arbeidersklasse – evenals in Duitsland tot ca. 1860–1870 – een kleine minderheid, die evenwel bijzonder toegankelijk was voor radicale ideeën: het autocratische regime bood weinig kansen aan legale politieke actie of sociale strijd. De opheffing van de lijfeigenschap (1861) en later de Amerikaanse concurrentie op de graanmarkt verzwakten de positie van de grondbezittende adel. Velen werden gedwongen een bestaan te zoeken in een overheidsfunctie. De toeloop naar de universiteiten bevorderde de verbreiding van revolutionaire ideeën, zowel westerse als Russische. Het echec van het ‘nihilisme’ (de moordaanslag op tsaar Alexander II (1881) bijvoorbeeld bracht noch het regime ten val noch de boerenmassa's in beweging) schiep een voedingsbodem voor maatschappijtheorieën met een universele pretentie. Een deel van de ‘intelligentsia’ voelde zich in deze tijd in toenemende mate aangetrokken door het marxisme. Als radicaalste en gesystematiseerde westerse ideologie appelleerde het aan de behoefte van de jonge intellectuelen aan een ‘wetenschappelijke’ en tevens kritisch-afwijzende verklaring van de politieke en maatschappelijke werkelijkheid om hen heen. Zo werd het marxisme in Rusland, evenals later in vele onderontwikkelde landen, een hulpmiddel van de ontevreden intelligentsia om een onbevredigende en vernederende toestand te interpreteren als een gevolg van dezelfde objectieve ‘wetmatigheid’ die in de toekomst een omslag moest teweeg brengen. Onder de jonge marxisten omstreeks 1900 nam Vladimir Lenin een bijzondere plaats in. Zijn opvattingen, doortrokken van traditioneel Russisch-revolutionaire denkbeelden en van ideeën over een machtsverovering door een bewuste minderheid, zijn niettemin in hun kern in overeenstemming met de radicaal-revolutionaire elementen in Marx’ leer. Lenin is de eigenlijke stichter van het moderne communisme geworden door zijn interpretatie van het marxisme en door de geheel andere omstandigheden dan die ener moderne, geïndustrialiseerde maatschappij waarop hij het moest toepassen. Reeds in 1894 zweefde hem het denkbeeld voor ogen van een ‘revolutionair verbond’ van de arbeiders met de boeren. Acht jaar later ontwikkelde hij in Wat te doen? een program voor de organisatie van de partij. Deze moest bestaan uit een kring van ‘beroepsrevolutionairen’ als kader en een hecht verbonden stelsel van – zo nodig illegaal werkende – partijafdelingen. De betekenis van de partij werd door Lenin groot geacht. Naar zijn mening zouden de arbeiders uit zich zelf nooit verder kunnen komen dan tot een elementair ‘vakverenigingsbewustzijn’. Een geschoolde, zich van de geschiedeniswetten bewuste voorhoede moest de socialistische doelstelling propageren. Lenin stelde dan ook een uiterst straffe discipline als eis. Dat ‘democratisch centralisme’ – later door critici in de eigen gelederen ‘bureaucratisch centralisme’ genoemd – hield in dat eenmaal genomen besluiten stipt dienden te worden uitgevoerd, ook door tegenstanders en bevorderde een absolute machtspositie van de leiding. Deze opvatting over de rol van partijen vloeide voort uit de Russische verhoudingen. Het onmiddellijke doel van Lenin c.s. was niet een klasse-actie tegen de bourgeoisie, maar de aanval op het heersende staatsapparaat. De inheemse kapitalisten bezaten immers noch de economische hegemonie noch de politieke macht. Vóór de Eerste Wereldoorlog was Lenin van oordeel dat een revolutie in Rusland slechts een ‘burgerlijke’ kon zijn. Evenals Marx in 1848 geloofde hij dat zij door het proletariaat en de boeren tot de uiterste grens moest worden doorgevoerd en wel in de vorm van een ‘revolutionair-democratische dictatuur’, die de overgang van de burgerlijke naar de socialistische fase moest versnellen. Hiertoe was ook noodzakelijk dat een Russische revolutie het sein werd voor een socialistische omwenteling in de industrieel ontwikkelde landen van Europa. Lenin verliet tijdens de Eerste Wereldoorlog het standpunt van Marx, dat het socialisme in alle ontwikkelde landen tegelijk moest zegevieren. Hij formuleerde zijn theorie van het monopoliekapitalisme (het ‘laatste stadium’ van het kapitalisme), waarin de ‘zwakste schakel’ het eerst moest bezwijken, zonder dat dit tot de ondergang van het stelsel in de gehele wereld behoefde te leiden. Toen in de jaren na de Oktoberrevolutie (1917; zie Russische Revolutie), die de communisten aan de macht bracht, de hoop op een zelfde ontwikkeling in andere landen (vooral Duitsland) in rook opging, kon die theorie gebruikt worden om de bestaansmogelijkheid van het ‘socialisme in één land’ te bewijzen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |