Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Chinese muziekEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Chinese muziek, overzicht van de kunstmuziek en volksmuziek uit China.
Uit China zijn zeer oude, bronzen klokkenspelen bekend.In 1978 nog werden in de prov. Hubei in het graf van markies Yi negen klokkenspelen gevonden met in totaal 65 klokken(5de eeuw v.C.). Hieruit is geconcludeerd dat er toen een rijke – lang verdwenen – muziekcultuur moet hebben bestaan. De klokken zijn omgekeerd vaasvormig en op het oppervlak voorzien van 36 knobbels (‘nippels’). Zij kunnen twee tonen voortbrengen, swéi en koe, die, in tegenstelling tot de westerse klokken, niet door elkaar heen maar afzonderlijk kunnen klinken. De tonen vormen een harmonisch interval van een grote of kleine terts. Ook dit is een bijzonderheid, daar de latere, klassieke muziek werd bepaald door kwinten en kwarten. Van de klassieke Chinese muziek zijn – veel meer dan in China zelf – de sporen te vinden in Japan, waarheen de overlevering in de 6de eeuw n.C. werd overgebracht. De Chinese theorie heeft de hoogte van de noten bepaald door een systeem van stijgende kwinten en dalende kwarten, die zes mannelijke en zes ondergeschikte, vrouwelijke li's voortbrachten: twee reeksen waarvan de noten op elkaar volgen op afstand van een gehele toon. Mannelijk: F G A B Cis Dis, vrouwelijk: C D E Fis Gis Ais. Deze li's vormden geen toonladder: de oude klassieke Chinese muziek rekende op de werking van afzonderlijke noten, die niet tot een melodie samen verbonden waren. Die ceremoniële muziek wordt niet meer uitgevoerd. De Chinese volks- en kunstliederen hebben een andere oorsprong, en de toonladders werden afgeleid van deze liederen, waarvan de typen ergens in Centraal-Azië ontstonden. De gebruikelijke toonladder is vijftonig, bestaat uit afstanden van gehele tonen en kleine tertsen en vermijdt de halve tonen. Die pentatoniek bestond reeds in zeer vroege tijden: zij is ouder dan de bepaling van de li's. De ladder wordt gebruikt volgens drie modi: 1. mannelijke modus: C D E G A 1 2 3 5 6 Hij vormt een hexachord, waarvan 1 de finalis en 5 de confinalis is. De kwintfunctie is opvallend; de vrouwelijke modus vertoont zich onder twee vormen: 2. C D F – G A C 1 2 4 – 5 6 8 en 3. D F G – A C D 1 3 4 – 5 7 8 Hij bestaat uit twee symmetrische disjuncte tetrachorden. Vorm 2 vertoont een gehele toon in de laagte van het tetrachord; in vorm 3 bevindt zich de kleine terts in de laagte. Geen kwintfunctie dus, maar wel een octaafstructuur. De vormen 2 en 3 zijn zeer verschillend in wezen en betekenis van de mannelijke archaïsche modus. Die oude pentatoniek is tot op heden de basis van de Chinese melodiek. Zij heeft zich langzaam ontwikkeld door bijvoeging van andere noten. De kleine terts werd gesplitst op een halve-toonafstand onder de hoogste noot, bijv. C D (e) F-G A (b) C. Die bijgevoegde noten hebben geen melodische functie en dienen slechts als overgangsnoten, de piên. Later kregen de piên een zekere autonomie. Uit de westelijke provincies (o.m. in Xinjiang Uygur) zijn van de Kazachen en Oejgoeren heptatonische liederen bekend. Zuid-China is getrouw gebleven aan de halftoonloze pentatoniek, maar de liederen worden gebouwd met transposities door bemiddeling van de piên, en wisselwerking tussen de verschillende modi. Overigens is de vocale muziek ten opzichte van de toonladders vrijer wanneer de liederen niet begeleid worden dan wanneer de stem met instrumenten concerteert. Het ritme speelt een ondergeschikte rol, want de werking van de muziek berust vooral op het spel der klankkleuren van de noten. In Centraal-China worden soms zangen uitgevoerd met imitatie op parallelle kwarten, zoals in het oude Europese organum. In het algemeen worden de toonafstanden nog door de verhoudingen van zuivere kwinten en kwarten geregeld. Meer en meer neigt men er thans toe, de toonladder te temperen.
Liederen worden meestal gezongen met begeleiding op de zevensnarige luit: kin, de viersnarige gitaar: p’i-p’a, de tweesnarige luit: eurl-hoe, of de bamboedwarsfluit: ti tzo'n. De Chinese orkesten omvatten geen basinstrumenten: de muziek zweeft in de hoge registers. Voor de dramatische vertoningen gebruikt men, mét de reeds vermelde instrumenten, de klarinet: shao na en de sheng, een mondorgel met 10, 13 of 19 pijpen. Het slagwerk speelt in de orkesten een aanzienlijke rol. Het is ritmisch onafhankelijk van de melodie en dient om aanvang en einde van de taferelen te onderlijnen, evenals de hoogtepunten van de dramatische spanning. Tot het slagwerk behoren o.m.: pan, castagnetten en de kleine platte trom hsiao koe. Beide vervullen in het orkest een dynamische functie. Voor de opera-uitvoeringen zingen de mannen dikwijls in falsetstem en de vrouwen in de hoogste registers die ze kunnen bereiken. De stem wordt als het ware vermomd en het gelaat gemaskerd. De opera biedt aan de toeschouwers een opeenvolging van gezongen en gesproken taferelen, die door dans, pantomime en acrobatische tussenspelen afgewisseld worden. De oudste operastijl is de koen-shü, met streng pentatonische zang. Hij ontstond in de 14de eeuw. In de 19de eeuw werd hij door moderne vormen vervangen: erh-hoeang en pang-tse. Zie voorts Peking-opera.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |