![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Bruckner, AntonEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Bruckner, Anton, voluit: Josef Anton (Ansfelden 4 sept. 1824 – Wenen 11 okt. 1896), Oostenrijks componist, bleef bekend door zijn grote symfonieën.
Bruckner ontving enig muziekonderwijs van zijn vader, die onderwijzer was, vervolgens van zijn neef Joh. Weiss en later, in het klooster van St.-Florian, van de organist Anton Katlinger. Hij werd opgeleid tot onderwijzer, een beroep dat samenviel met de functie van organist, en was enige jaren werkzaam in dorpen in Oberösterreich, tot hij in 1845 naar St.-Florian terugkeerde, eerst als onderwijzer, vanaf 1848 als organist van het ‘Stift’. Inmiddels was zijn aanleg voor compositie al gebleken in de Missa solemnis in bes voor solisten, koor, orkest en orgel (1854). In 1856 werd hij op grond van zijn inmiddels zeer ontwikkelde orgeltechniek benoemd tot domorganist te Linz. Hij leidde daar enige jaren de Linzer Liedertafel en vond er een mentor in de persoon van de bisschop, Rüdiger, die hem in staat stelde om van 1856 tot 1861 harmonie en contrapunt te studeren bij de in Wenen verblijvende Simon Sechter. Later nam Bruckner lessen van de Linzer kapelmeester Kitzler, die hem met het werk van de laat-romantische Berlioz en Liszt in kennis bracht, wat voor de ouderwets geschoolde Bruckner een openbaring werd. Onder invloed van de confrontatie met Wagners Tannhäuser in 1862, schreef Bruckner in 1863–1864 de symfonie in d die hij aan het einde van zijn leven zou afwijzen (de nulde symfonie). Een echte doorbraak in deze periode was de Mis in d voor solisten, koor, orkest en orgel. De eerste symfonie werd bij de première in 1868 te Linz zeer slecht ontvangen. Hierdoor en door een mislukte poging als organist te Wenen te worden benoemd, alsmede ten gevolge van conflicten in de persoonlijke sfeer, maakte Bruckner een zware crisis door, die hem in het sanatorium bracht. Het keerpunt kwam eind 1868, toen hij na de dood van Sechter als diens opvolger docent theorie, orgel en piano aan het conservatorium te Wenen werd. Ook vierde hij triomfen met zijn orgelimprovisaties in Nancy, Parijs en in 1871 in Londen tijdens de wereldtentoonstelling. In 1875 werd hij lector in de muziektheorie aan de Weense universiteit en in 1878 hoforganist. Hoewel Bruckner gestadig doorging met het componeren van kerkmuziek, zoals het Te Deum (1884) en een zetting van Psalm 150 (1892), zou hij zich voortaan vooral bezighouden met symfonieën. De eerste vier werden slecht ontvangen. Men begreep ze niet en enkele van zijn leerlingen, zoals F. Loewe en J. en F. Schalk, haalden Bruckner over wijzigingen aan te brengen. Bovendien was Bruckners positie in Wenen moeilijk, doordat hij verwikkeld raakte in de strijd tussen de wagnerianen en de behoudende richting, welke laatste zich om de figuur van Brahms concentreerde. Bruckner was een fervent vereerder van Wagner, die hij in 1865 had ontmoet. Vooral de criticus Hanslick, aanvoerder van de Brahms-partij, reageerde zeer scherp op elke uitvoering van werk van Bruckner en deze was als naïef provinciaal een gemakkelijk mikpunt van spotternijen. Daar hij een overmatige waarde toekende aan recensies, heeft hij hieronder zeer geleden. Bruckners zevende symfonie werd onder Nikisch te Leipzig in 1884 voor het eerst gespeeld en was een succes. In zijn laatste jaren kwam uiteindelijk de erkenning. Zijn werk werd meer gespeeld en hij ontving beurzen, waaronder een erejaargeld van de staat, alsmede onderscheidingen, zoals in 1891 een eredoctoraat van de Weense universiteit. In 1892 legde hij zijn functies neer en leefde sindsdien teruggetrokken en comfortabel in een keizerlijk tuinhuis.
Typerend voor Bruckner is de tegenstelling tussen zijn onzekerheid die hem ertoe bracht zijn werk te (laten) reviseren, en zijn besef van zijn genialiteit, dat hem ertoe deed besluiten om de originele versies van zijn symfonieën in zijn testament onder te brengen. Pas in 1931 (oprichting van de Internationale Bruckner Gesellschaft) werd een begin gemaakt met de editie van de definitieve partituren. Bruckner is een van de merkwaardigste figuren uit de muziekgeschiedenis. Ongeletterd, buiten de politieke en geestelijke stromingen van zijn tijd levend, is hij een volstrekt anachronistische verschijning. Zijn werken zijn van een monumentale opbouw en een verheven zeggingskracht. Zijn symfonieën geven uitdrukking aan zijn innerlijke tweespalt tussen zinnelijk natuurkind en vroom gelovige, die de dimensies aanneemt van een kosmisch drama. Compositietechnisch gezien gebruikte Bruckner moderne middelen. In harmonisch opzicht door het compromisloze gebruik van chromatiek, ongebruikelijke toonsoortwisselingen, modale akkoordprogressies en ostinato's. Revolutionair was de blokvormige structuur. Hij gebruikte de symfonische vorm niet meer als een dynamisch ontwikkelingsproces. In Bruckners muziek staat elk moment op zichzelf; er zijn hoogstens associatieve relaties. Typerend is de veelvuldige herhaling van een zelfde motief over een zelfde harmonie aan het einde van een deel. Evenals bij Wagner verlopen de muzikale processen traag, waardoor de composities een lange tijdsduur kunnen hebben. Met Wagner deelde Bruckner ook een voorliefde voor de combinatie van het zwaargewicht van de koperblazers met een intens cantabile van de strijkers. Zijn orkest is echter, in tegenstelling tot dat van Wagner, klein. Bruckners invloed bleef beperkt; alleen Gustav Mahler heeft enkele stilistische kenmerken van hem overgenomen. WERK: Instrumentaal: de Studiesymfonie (in f, 1863), de zgn. nulde symfonie (in d, 1863–1864, omgewerkt in 1869), 8 genummerde symfonieën: 1ste symf. in c (1866, omgewerkt tot 1891), 2de symf. in c (1872, omgewerkt tot 1876), 3de symf. in d (1873, omgewerkt tot 1889), 4de symf. in Es (1874, omgewerkt tot 1880), 5de symf. in Bes (1875, omgewerkt 1876), 6de symf. in A (1881), 7de symf. in E (1883), 8ste symf. in c (1884–1889), 9de symf. in d (onvoltooid, begonnen 1887); kleinere orkestwerken, o.a. Ouverture in g, marsen, dansen; kamermuziek: strijkkwartet (1862) en -kwintet (1879, omgewerkt in 1884); fragmenten van pianosonates. – Vocaal: Mis nr. 1 in d (voor koor, soli en ork., 1864, omgewerkt in 1882), Mis nr. 2 in e (8-stemmig koor en blaasork., 1866, omgewerkt in 1882), Mis nr. 3 in f (koor, soli, ork., 1868, omgewerkt in 1876 en 1881), Te Deum (1881–1884); kleinere kerkelijke werken en vele geestelijke en wereldlijke werken voor mannenkoor a cappella en met orkest. UITG: Ges. Briefe, d. F. Gräflinger (1924); Ges. Briefe, Neue Folge, d. M. Auer (1924); L. Nowak (red.), Krit. Gesamt-Ausg. (1951 vv.).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |