Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Brahms, Johannes

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Brahms, Johannes

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vierde symfonie van BrahmsVierde symfonie van Brahms
Artikeloverzicht

Introductie

Brahms, Johannes (Hamburg 7 mei 1833 – Wenen 3 april 1897), Duits componist, behoorde tot de romantiek, maar hield tevens vast aan de klassieke traditie. Hij werd in zijn tijd beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Duitse muziektraditie en nam stelling tegen de vooruitstrevende Nieuw-Duitse School.

1. Leven

Brahms ontving muziekonderricht van zijn vader, een contrabassist, en van E. Marxsen te Hamburg. Op 10-jarige leeftijd debuteerde hij als pianist en trad om den brode op in havenkroegen. In 1848 maakte hij door Hongaarse vluchtelingen in Hamburg kennis met de csárdás en de alla zingarese-stijl, wat later een belangrijk stempel op zijn werk zou drukken. In deze tijd ontmoette hij de Hongaarse violist Eduard Hoffmann met wie hij een aantal tournees maakte. Voorts trad hij op met de vermaarde violist Joseph Joachim die hij in 1853 had leren kennen. Van grote betekenis was in datzelfde jaar de ontmoeting met Robert Schumann die het creatieve talent van Brahms onderkende en beschreef in het beroemde artikel Neue Bahnen in het Neue Zeitschrift für Musik. Met Clara Schumann onderhield Brahms een levenslange hechte vriendschap. Brahms werkte als pianist en koordirigent in o.a. Detmold en Hamburg en in Wenen, waar hij directeur was van de Singakademie. In 1872 vestigde hij zich definitief in Wenen. Tot 1875 dirigeerde hij de Weense Gesellschaftskonzerte, waar hij de grote werken uit de barok introduceerde. Zijn compositorisch oeuvre was inmiddels al omvangrijk geworden (meer dan 60 opusnummers) en bevatte een van zijn belangrijkste werken, Ein deutsches Requiem voor solisten, koor en orkest. De première had veel succes en bevestigde zijn grote naam als componist. Vanaf die tijd kon Brahms als vrij componist in zijn onderhoud voorzien. In 1876 voltooide hij zijn eerste symfonie. In de periode 1877–1879, zijn meest productieve jaren, ontstonden o.a. het vioolconcert, de tweede symfonie, de vioolsonate in G en de twee rapsodieën opus 79 voor piano. Intussen had hij de gewoonte aangenomen om te componeren gedurende de zomer en 's winters concerten te geven. In 1877 en 1879 verleende de universiteit van Cambridge resp. die van Breslau hem een eredoctoraat. Naar aanleiding van dit tweede eredoctoraat componeerde hij de Akademische Festouverture, waaraan hij een tegenhanger toevoegde met de Tragische Ouverture (1880). In 1881 kreeg hij van de intendant Hans von Bülow de beschikking over het Meininger hoforkest waardoor hij de mogelijkheid had zijn composities te repeteren. In 1883 en in 1884 componeerde hij de derde en de vierde symfonie, in 1886 veel kamermuziek, o.a. de cellosonate in F en het trio in c voor viool, cello en piano.

Enigszins zijns ondanks belandde hij, o.a. door een door hem mede ondertekend manifest, in het kamp van de anti-Wagnerianen, wat hem de vijandschap bezorgde van Hugo Wolf, die als muziekcriticus uitermate scherp was. De criticus Hanslick verdedigde hem evenwel steeds. In zijn laatste, door ziekte gekwelde levensjaren zette Brahms zich opnieuw tot het schrijven van piano- en kamermuziek, liederen en orgelwerken. In okt. 1890, nadat hij het strijkkwintet in G opus 111 had voltooid, besloot Brahms niet meer te componeren. In 1891 echter ontmoette hij de klarinettist Richard Mühlfeld die hem inspireerde tot een aantal belangrijke composities voor klarinet, waaronder het klarinettrio opus 114, het klarinetkwintet opus 115 en de sonates met piano opus 120. De Vier ernste Gesänge en elf orgelkoralen sloten zijn oeuvre af. De kroon op de vele eerbetuigingen die hij reeds tijdens zijn leven ontving, was zijn benoeming tot buitenlands lid van de Académie française, een jaar voor zijn dood.

2. Werk

Ondanks het feit dat Brahms de laatste 25 jaar van zijn leven in Wenen verbleef en een groot bewonderaar van Joh. Strauss (Sohn) was, heeft de Oostenrijkse muziek weinig invloed gehad op zijn werk (wel gebruikte hij de walsvorm), dat typisch Noord-Duits is: groots van visie, krachtig, ernstig, in zijn latere composities bezonken. Over vele werken ligt een waas van melancholie, vooral in adagio – en andante –delen, die een geheel eigen, intieme en verdroomde sfeer hebben. Hij maakte gebruik van de melodische en harmonische middelen van de romantiek (zie ook harmonie), maar oriënteerde zich tevens op de 16de-eeuwse Nederlandse polyfonie (zie Nederlandse Scholen), de koormuziek uit de vroege barok, en voorts op Bach en Beethoven. De meest essentiële karakteristiek van zijn stijl is het diepgaande thematisch-motivische transformatieproces dat, verweven in een contrapuntische textuur (zie contrapunt), leidt tot een extreme differentiatie, Deze werkwijze, die traditioneel alleen in kamermuziek werd toegepast, gebruikte Brahms in alle genres.

Karakteristiek voor zijn stijl zijn verder de ritmiek, gekenmerkt door het veelvuldig voorkomen van syncopen, door polyritmiek en triolen, voorts de melodiek, waarin opvallend vaak gebruik wordt gemaakt van de vallende terts en van de toonopvolging tonica, terts, octaaf of tonica, sext, octaaf. Brahms was een geïsoleerde figuur, tegenstander van Franz Liszt, antipode van Anton Bruckner.

Hij liet geen school na. Bij de componisten die zijn invloed ondergingen (Reger, Elgar, Dvořák), berust dit vnl. op geestverwantschap.

WERK: Orkestwerken: 4 symfonieën, 2 serenades, 2 ouvertures, Haydn-variaties, 2 pianoconcerten, vioolconcert, concert voor viool en violoncel. – Kamermuziek: o.a. 3 vioolsonates, 2 cellosonates, 4 pianotrio's, 3 pianokwartetten, pianokwintet, 2 strijkkwartetten, strijkkwintet, 2 strijksextetten, 2 klarinetsonates, klarinettrio en klarinetkwintet. – Pianomuziek: o.a. 3 sonates, scherzo, 4 ballades, 2 rapsodieën, intermezzi, fantasieën, variatiewerken, études; piano vierhandig: Haydn-variaties (dezelfde als die voor orkest), walsen, Hongaarse dansen. – Orgelmuziek: o.a. praeludia en fuga's, 11 koraalvoorspelen. – Vocaal: Ein deutsches Requiem (ca. 1865–1868; voor koor, soli en orkest), Triumphlied, Gesang der Parzen, Rinaldo, Schicksalslied, Nänie (voor koor en orkest), Alt-rhapsodie (voor alt, mannenkoor en orkest, naar tekst van Goethe); liederen: o.a. Magelone-cyclus, Liebesliederwalzer, Zigeunerlieder (kwartet en piano) en duetten (m. piano).

UITG: Briefwechsel, d. Deutsche Brahms-Gesellschaft (16 dln., 1922); B. Litzmann, Clara Schumann. Johannes Brahms: Briefe aus den Jahren 1853–1896 (1927; Eng. vert. 21971); J. Brahms an Julius Spengel, 1882–1897. Unveröffentliche Briefe (1959).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum