![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search blaasinstrumentenEncyclopedieartikel
blaasinstrumenten, muziekinstrumenten waarbij het geluid ontstaat doordat een door het instrument omsloten luchtkolom in trilling wordt gebracht. Blaasinstrumenten bestaan uit een al dan niet gebogen buis met cilindrische of conische boring. Een gangbare indeling van de blaasinstrumenten is die in houten blaasinstrumenten (de families van hobo, klarinet, fagot en doedelzak) en metalen blaasinstrumenten (families van hoorn, trompet, trombone, tuba en saxhoorn en de meeste fluiten. De saxofoonfamilie is een mengvorm). Er zijn drie principieel verschillende soorten trillingsbronnen, waarvan het gemeenschappelijke kenmerk is dat een continue luchtstroom in trilling wordt gebracht. De blaasinstrumenten kunnen ook op grond van hun soort trillingsbron onderscheiden worden. De soort trillingsbron wordt bepaald door: 1. Het labium, de scherp omrande opening boven het mondstuk, waartegen de luchtstroom gebroken wordt. 2. Het enkel of dubbel riet. Het enkel riet is een dun plaatje riet, metaal of kunststof, dat óf op de ene open zijde van het mondstuk wordt geplaatst óf wordt aangebracht tussen de randen van het mondstuk. Bij het passeren van de luchtstroom fungeert het dan resp. als zgn. opslaande tong of doorslaande tong. Het dubbel riet bestaat uit twee plaatjes die zo tegen elkaar bevestigd zijn dat er nog slechts een zeer dunne opening overblijft voor het passeren van de luchtstroom. Door de wisselwerking van de veerkracht van het riet en de luchtdruk ontstaat de luchttrilling. 3. De lippen, die onder spanning tegen de rand van het ketelmondstuk worden geplaatst. De kolom lucht die zich in een blaasinstrument bevindt, fungeert als resonator (zie resonantie [mechanica]). Een kolom lucht van een bepaalde lengte heeft een eigen toon, de grondtoon. Hoe korter de kolom, des te hoger zal de grondtoon zijn (zie golf [natuurkunde]). Men onderscheidt blaasinstrumenten met een open luchtkolom (bijvoorbeeld de fluit), die twee open uiteinden hebben, en blaasinstrumenten met een gesloten luchtkolom (bijvoorbeeld de trompet en klarinet), die één open uiteinde hebben. Het variëren van de toonhoogte en het produceren van verschillende tonen wordt tijdens het spel mogelijk gemaakt door vingergaten, een schuif (zie trombone) of ventielen. Hiermee wordt de lengte van de buis, en daarmee de frequentie van de grondtoon, gevarieerd. Bij het overblazen (door wijziging van de embouchure) worden de harmonischen tot klinken gebracht.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |