![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Berio, LucianoEncyclopedieartikel
Berio, Luciano (Oneglia, thans Imperia, Noord-Italië, 24 okt. 1925 – Rome 27 mei 2003), Italiaans componist, voltooide zijn opleiding bij Paribeni en F.G. Ghedini en studeerde korte tijd bij Luigi Dallapiccola. Sinds 1949 werkte hij nauw samen met Bruno Maderna, met wie hij in 1955 de Studio di Fonologia della Rai (studio voor elektronische muziek van de radio te Milaan) oprichtte; Berio was hieraan tot 1960 verbonden. Maderna en hij profileerden zich hier als leiders van een typisch Italiaanse elektronische school, die minder doctrinair was dan de school van Keulen (radio WDR), maar ondanks het gebruik van ‘concrete’ klanken in muzikaal opzicht subtieler te werk ging dan de componisten van de Parijse musique concrète. Berio's Tema – Omaggio à Joyce (1958, met gebruikmaking van teksten uit J. Joyces Finnigans wake), zijn Momenti (1960) en Visage (1961, vrouwenstem en elektronische muziek) behoren tot de meest markante composities uit de vroege geschiedenis van de elektronische muziek. Tussen 1956 en 1960 redigeerde hij het tijdschrift Incontri musicali, waarin veel van zijn opvattingen over de nieuwste muzikale ontwikkelingen zijn neergelegd, en leidde hij een gelijknamige concertserie. Nadat hij reeds in de jaren vijftig als docent bij de Darmstädter Ferienkurse was opgetreden, werd hij in 1960 gastdocent aan het Berkshire Music Center te Tanglewood en aan de Dartington Summer School of Music (Totnes, Devon). Van 1965 tot 1971 doceerde hij aan de Juilliard School of Music te New York. Berio heeft zich altijd bediend van hetzelfde klankidioom als dat van de collega's van zijn generatie (Pierre Boulez, enz.), echter zonder de dogmatiek die bijv. Boulez wel eens kenmerkt. Het is tekenend dat zijn werk ook raakvlakken heeft met populaire, niet-academische muziekstijlen. In zijn opmerkelijke Coro (1976) heeft hij zijn coloristische technieken tot een hoogtepunt ontwikkeld. Vocale en instrumentale klankbronnen zijn hier volkomen geïntegreerd. Veel van de experimentele vocale werken zijn geschreven voor zijn eerste vrouw, de sopraan en ‘stemkunstenares’ Cathy Berberian. Sinds de late jaren zestig leverde hij toenemend commentaar op het werk van anderen in de vorm van bewerkingen (van o.m. volksliederen, Claudio Monteverdi, Girolamo Frescobaldi, Henry Purcell, Luigi Boccherini, Franz Schubert, Gustav Mahler, Kurt Julian Weill, John Lennon, Paul McCartney). Een compositie van Berio was eigenlijk nooit af, het was ‘work in progress’. Berio maakte voortdurend bewerkingen en nieuwe versies van zijn eigen werken. Een compositie was slechts een tijdopname van een doorlopend proces. De sequenza's – een reeks virtuoze solowerken voor verschillende instrumenten – bewerkte hij bijvoorbeeld tot orkestwerken: Chemins. WERK: Orkest: Variazioni (1953–1954); Nones (1954); Mimusique No 2 (1955); Allelujah I en II (1955–1957; 6 instr. groepen); Divertimento (1957; met Bruno Maderna); Tempi concertati (1958; fluit, viool, 2 piano's en kamerork.); Quarderni I, II en III (1959, 1961, 1962); Chemins I t/m V (1965–1980); Concerto (1972–1973; 2 piano's en ork.); Points on the curve to find (1973–1974; piano en 23 instr.); Il ritorno degli snovidenia (1976–1977; cello en 30 instr.); Encore (1978); Concerto for piano and orchestra (1979); Accordo (1980; 4 blaasorkesten); Corale (1981; viool, 2 hoorns, strijkers); Requiem (1983–1984); Voci (1984; altviool, 2 instr. groepen); Formazioni (1986, herzien in 1988); Concerto II: Echoing curves (1988; piano, 2 instr. groepen); Continuo (1989); Festum (1989). – Kamermuziek: Divertimento (1947, herzien in 1985; viool, altviool en cello); Quintetto (1948, 1950–1951; 2 blaaskwintetten); Sonatina (1951; fluit, 2 klarinetten, fagot); Due pezzi (1951; viool en piano); Study (1952; strijkkwartet); Quartetto (1956; strijkkwartet); Sequenza I t/m XIII (1958–1995; verschillende solo-instrumenten); Rounds (1965; klavecimbel); Wasserklavier (1965; piano); Gesti (1966; blokfluit); Memory (1970; elektr. piano, elektr. klavecimbel); Fa-Si (1975; orgel); Les Mots sont allés (1978; cello); Duetti (1979–1982; 32 duetten voor 2 violen); Lied (1983; klarinet); Call (1985; koperkwintet); Luftklavier (1985; piano); Naturale (1985; altviool, tam-tam, tape); Ricorrenze (1986–1987; blaaskwintet); Comma (1987; es-klarinet); Psy (1989; contrabas); Feuerklavier (1989; piano); Brin (1990; piano); Leaf (1990; piano); Notturno (1994; strijkkwartet); Glosse (1997; strijkkwartet). – Vocaal: Tre canzoni populari (1946–1947; vrouwenstem en piano); Du pezzi sacri (1949; 2 sopranen, piano, 2 harpen, pauken, 12 klokken); Magnificat (1949; 2 sopr., koor en ork.); Chamber Music (1953; vrouwenstem, klarinet, cello, harp, naar Joyce); Circles (1960; vrouwenstem, harp, 2 slagwerkers); Folk songs (1964; zangstem en 7 instrumenten, versie voor orkest 1973); Sinfonia (1968–1969; 8 stemmen en orkest); Bewegung II (1971; bariton en ork.) Recital I (1971; mezzosopr. en ensemble); Calmo (in memoriam Bruno Maderna (1974; sopr. en 8 instr.); Coro (1974–1976; 40 stemmen, ork.); Duo (1982; bariton, 2 violen, koor, ork.); Canticum novissimi testamenti (1988; koor); Ofanim (1992; sopr., koor, ork.); Prolog (1995; koor en ork.); Shofar (1995; sopr., alt, tenor, bas en ork.). – Opera: Passaggio (1961–1962); Opera (1969–1970); La vera storia (1977–1981); Un re in ascolto (1979–1983); Wir bauen einen Stadt (1987; kinderopera naar Paul Hindemith). – Elektronisch: Mimusique No 1 (1953); Mutazioni (1954); Ritratto di citta (1954; met Bruno Maderna); Mutazione (1955); Musica di scena No 9 (1955–1956; met Bruno Maderna); Perspective (1956); Tema (Ommagio a Joyce) (1958); Différences (1958; 5 instr. en geluidsband); Momenti 1960); Visage (1961).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |