![]() Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Belgische architectuur en beeldende kunst |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 6 van 6
Belgische architectuur en beeldende kunstEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Omstreeks 1900 ontstond in het dorp Sint-Martens-Latem een kunstenaarskolonie (de zgn. Latemse School). Van een eerste groep Latemse kunstenaars was de symbolist Gustave van de Woestijne de belangrijkste figuur. Tussen 1905 en 1910 vormde zich een tweede groep (met o.a. Albert Servaes, Frits van den Berghe, Gustaaf de Smet, Constant Permeke), die de grondslag legde voor het Vlaams expressionisme. Verwant aan deze strekking waren: Léon Spilliaert, Edgar Tytgat, Jean Brusselmans, Hippoliet Daeye en Floris Jespers. Kort na de Eerste Wereldoorlog ontstond de niet-figuratieve schilderkunst met Georges Vantongerloo, Joseph Lacasse, Jozef Peeters, Victor Servranckx, Felix de Boeck en Paul Joostens (zie abstracte kunst). Naast het expressionisme trad tussen de twee wereldoorlogen het animisme op met o.a. Albert van Dyck. Het Franse surrealisme vond in België een opmerkelijke weerklank met kunstenaars als René Magritte, Paul Delvaux en Eduard Mesens. In 1945 werd de groep Jeune peinture Belge (Jonge Belgische Schilderkunst) opgericht, met o.a. Anne Bonnet, Marc Mendelson, Antoine Mortier, Luc Peire, René Guiette, Gaston Bertrand en Louis van Lint. Vanaf 1948 manifesteerden Pierre Alechinsky en Christian Dotremont zich als de belangrijkste Belgische vertegenwoordigers van Cobra. Engelbert van Anderlecht en Serge Vandercam beoefenden omstreeks 1955 de ‘peinture partagée’.
De ontwikkeling van de beeldende kunst in België sedert de jaren zestig wordt gekenmerkt door een grote gevoeligheid voor het kunstgebeuren in Amerika en de rest van Europa, ofschoon eigen typische kenmerken behouden bleven. Wel verloopt de ontwikkeling trager dan in een aantal andere West-Europese landen en de opeenvolgende kunststromingen vermengen zich, waardoor het moeilijk is een duidelijk beeld te verkrijgen. De activiteiten van Hessenhuis G 58, met o.a. de tentoonstellingen in het Hessenhuis te Antwerpen, hebben op het einde van de jaren vijftig ontegensprekelijk de stoot gegeven naar een nieuwe artistieke bewustwording. In de schoot van het Hessenhuis stichtten Jef Verheyen, Guy Mees, Guy Vandenbranden, Jan Dries en Engelbert van Anderlecht de Nieuwe Vlaamse School. Tijdens de Forum-tentoonstellingen in Gent (1961, 1962, 1963) kwam de tegenstelling tot uiting tussen de Antwerpse experimentele en objectkunst (de assemblages van Camiel van Breedam en Vic Gentils en de ruimtelandschappen van Paul van Hoeydonck) en de Gentse abstract-expressionistische schilderkunst (de magische, met de natuur verbonden wereld van Octaaf Landuyt, de expressieve portretten van Jan Burssens). Beeldhouwers als Rik Vermeersch, Yves Rhayé, Pol van Rafelghem en Roland Monteyne werkten in diezelfde expressionistische sfeer. De lijn van Cobra bleef voortleven in het werk van Pierre Alechinsky, Christian Dotremont en Jan Cox, maar een jongere generatie, met o.a. Fred Bervoets, Wilfried Pas, Walter Goossens, Jacques Chemay, gaf in een nog scherpere agressiviteit haar visie figuratief weer. Ook de sculpturen van Reinhoud en Roel D'haese zijn gegroeid uit Cobra. De nieuwe figuratie, die in de jaren zestig het internationale artistieke klimaat beheerste, kreeg ook in België een eigen gelaat. Roger Raveel, Raoul de Keyser, Reinier Lucassen en Etienne Elias namen de dagelijkse werkelijkheid als uitgangspunt: hun werk is fris, optimistisch, direct, gul. Joseph Willaerts (object)schilderijen werken ontwapenend, Pjeroo Roobjee's werk getuigt van een contesterende doch humoristische visie op de realiteit en Pol Mara leunt in zijn erotisch getinte doeken dicht aan bij de pop art. Ook de Hasseltse research-groep (gesticht in 1968) met Hugo Duchateau, Jos Jans en Hélène Keil, werd getroffen door de poëzie in popcultuur, design en publiciteit. Jean-Paul Laenen zette, onafhankelijk van de internationale kunstscène, een eigen koers en realiseerde bijzonder originele sculpturen, aansluitend op het kubisme; de ruimte is een complex continuüm van materie en energie, van passiviteit, opbloei en ontlading. Hij vervaardigde ook munten voor de Nationale Munt en architectonische enviroments. De constructieve richting, die van bij de aanvang Jo Delahaut en Guy Vandenbranden in haar rangen vond, ontwikkelde zich tot een constante, die doorheen de opeenvolgende stromingen bleef bestaan, echter aangepast aan nieuwe visies, waardoor ze achtereenvolgens evolueerde naar op art en kinetische kunst, minimal art, environnement en zelfs conceptual art. Met zijn dialoog tussen bewegende en statische elementen is Pol Bury de belangrijkste vertegenwoordiger van de kinetische kunst. Luc Peire maakte zijn verticalisme tot geïntegreerd element en ontwierp reeds in 1966 zijn spiegelenvironnement. Mark Verstockt evolueerde naar de module in minimal en serieel verband, evenals Albert Rubbens, die later tot conceptual art overging. Pol Horvath en Jean Glibert pasten de kleur in minimal context toe. Yves de Smet, Jan van den Abbeel, Willy Plompen, Piet Bekaert, Hugo de Clerck en Amedée Cortier kwamen naar voren als de Gentse Constructieven met werken die opgebouwd zijn uit geometrische figuren met harde, koele kleuren. Ook Dan van Severens werk behoort tot de geometrische abstractie, maar zijn eenvoudige structuren en grijze kleuren neigen eerder naar contemplatie en vergeestelijking. De intensiteit van André Beullens' werk is gebaseerd op de interactie van vibrerende kleuren waardoor het aansluit bij de op art. Chromatische structuur ligt aan de basis van het werk van Jef Verheyen, die door zijn contacten met Fontana en Manzoni de kleur in haar ruimtelijke dimensie toepast, terwijl Walter Leblancs (vroege) witte, genaaide doeken en gekleurde torsies, naast een chromatische ook een vormelijke structuur vertonen. Dat ook de materie structuur bezit, bewijst Bram Bogart in zijn panelen, waarin alle aandacht gaat naar de pasteuze verf. In de jaren zeventig krijgen de meeste structuren in vorm, lijn, kleur en materie een minimaal en sober karakter, bijv. bij Philippe van Snick en Amedée Cortier. De fundamentele schilderkunst, waarbij de essentiële bestanddelen van de schilderkunst worden onderzocht, is o.m. vertegenwoordigd door Raoul de Keyser en Marthe Wéry. Verwant hiermee is het werk van Robert Clicque, Staf Renier, Urbain Mulkers, Luc Hoenraet en Robert Bruyninckx. Het hyperrealisme werd in België pas een echte stroming nadat het door Documenta 1972 was geconsacreerd. Guy Degobert had reeds een magische kracht in zijn stillevens gelegd, Marcel Mayer sluit in zijn close-ups van voorwerpen (o.a. straatstenen) bij de grote klassieke schilderstechniek aan, Roger Wittevrongel herinnert zich zijn academische vorming en Jacques Verduy modelleert de menselijke figuur in een vertrouwd environnement, dat ook door Antoon de Clercq in zijn schilderijen wordt weergegeven. Parallel aan het internationale streven naar meer artistieke vrijheid en een verruiming van het kunstbegrip probeerden op het einde van de jaren zestig ook Belgische kunstenaars als Panamarenko, Marcel Broodthaers, Jef Geys, Guy Mees en Hugo Heyrman opnieuw het contact tussen kunst en leven te herstellen. Zo bezette in mei 1968 een aantal beeldende kunstenaars, acteurs, componisten en schrijvers het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Ze eisten een hervorming van het Belgische cultuurbeleid dat nood had aan moderne kunst. Panamarenko, Hugo Heyrman, Bernd Lohaus en Wout Vercammen organiseerden ook andere ludieke happenings. Twee figuren die zich in de internationale beweging hebben geplaatst zijn Panamarenko, de ingenieur van ‘poëtische objecten’ zoals zweefvliegtuigen en vliegtuigen, en Marcel Broodthaers die met een vorm van revolterende pop art en assemblages van de meest triviale voorwerpen, zoals mossel- en eierschelpen de gangbare kunstvormen en ideologieën bespot. Broodthaers heeft zich ook literair, filmisch en fotografisch uitgedrukt en belandde ten slotte bij video en concept. Ook Jacques Charlier ironiseert de kunstwereld, zowel in zijn fotografisch werk, in zijn objecten als in zijn ruimtelijke installaties. Jef Geys en Guy Mees richten zich op de sociale factoren van de dagelijkse werkelijkheid en Luc Deleu bekritiseert in zijn container-sculpturen o.m. het Belgische architecturale milieu. De betrachtingen van Yves de Smet, René Heyvaert, Bernd Lohaus, Didier Vermeiren, Philippe van Snick en Leo Copers situeren zich op de grens van minimal art, arte povera en conceptual art. Land art wordt in België vertegenwoordigd door o.a. Jan Dries, Paul Gees, Robert Bruyninckx en Frank van den Berghe. Ook de terugkeer naar de pure schilderkunst (het zgn. neo-expressionisme op het einde van de jaren zeventig) vond in België aanhangers met o.a. Philippe Vandenberg, Marc Maet, Hans Vandekerckhove, Willy van Sompel, Franky de Coninck, Walter Swennen en Ingrid Casteleyn.
Het is pas vanaf de jaren tachtig dat de Belgische kunst met een eigen identiteit de internationale kunstmarkt betreedt. Het nieuwe museumbeleid, dat zorgde voor een betere infrastructuur (cfr. de nieuwe musea van moderne en hedendaagse kunst te Gent, Antwerpen, Brussel en Oostende), en het commerciële circuit hebben de bekendheid en de verspreiding van de Belgische kunst in de hand gewerkt. De kunst van de jaren tachtig valt op door haar heterogeen karakter. Op een zeer persoonlijke wijze worden invloeden van René Magritte en Marcel Broodthaers verwerkt door Jan Vercruysse, Narcisse Tordoir, Guy Rombouts en Walter Swennen. Hun werk is in de eerste plaats gericht op essentiële vraagstukken, vaak de persoonlijkheid van de kunstenaar zelf (bijv. Jan Vercruysses fotowerk ‘portret van de kunstenaar door hemzelf’). Door middel van teksten, objecten en aardegebonden figuren maakt Thierry de Cordier ons de paradox duidelijk tussen de nood aan communicatie en de onmogelijkheid daartoe. De verhouding tussen de individuele beperkingen en de universele ruimte, tussen wereld en kunst wordt ook gevisualiseerd in de ruimtelijke installaties van Guillaume Bijl en in de podiumproducties en de balpentekeningen van Jan Fabre. Het objectmatige karakter dat de nieuwe kunst van de jaren tachtig kenmerkt, vinden we ook terug in de sculpturen en installaties van Jan Carlier, Willem Cole, Ann-Veronica Janssen, Ludwig Vandevelde, Wim Delvoye en Patrick van Caekenberghe. Videokunst wordt beoefend door o.a. Marie-Jo Lafontaine, Jacques-Louis Nyst, Frank en Koen Theys, Bruno Mistiaen en Walter Verdin. Met het medium taal werken o.a. Werner Cuvelier en Daniël Dewaele.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |