Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Belgische architectuur en beeldende kunst

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 3 van 6

Belgische architectuur en beeldende kunst

Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht

1.8 Romantisch rationalisme, expressionisme en functionalisme

Deze overgangsstijl, die het midden houdt tussen Berlage en het expressionisme en die werd ingezet door Pompes orthopedische kliniek te Sint-Gillis (1910), werd na de Eerste Wereldoorlog opgevolgd door het milde expressionisme van L. François en J.J. Eggericx te Brussel, E. Van Steenbergen, J. Huygh, F. van Reeth en P. Smekens te Antwerpen. Huib(recht) Hoste, V. Bourgeois en L.H. de Koninck, die aanvankelijk ook in deze stijl werkten, ontwikkelden zich in het begin van de jaren twintig tot protagonisten van het functionalisme. Hoste, die tijdens de oorlog contacten had met de Stijlgroep, bouwde de arbeiderswijken Klein Rusland te Zelzate (1921–1923) en Kapelleveld te Woluwe (1923–1926). Bourgeois ontwierp de Cité moderne te Sint-Agatha-Berchem (1922–1925), waarbij de nieuwe stijl nauw met het socialisme werd geassocieerd. Dit was minder expliciet in de individuele woningen die L.H. de Koninck te Ukkel bouwde, hoewel hij vooral in zijn woning Lenglet (1926) het functionalisme in België tot de meest zuivere expressie heeft gebracht. De maatschappelijke intenties blijken het duidelijkst uit het visionaire project van de Antwerpenaar L. Schillemans voor een utopische, communistische type-stad van 30 miljoen inwoners (1928–1930). Anderzijds werden de meest opmerkelijke tuinwijken, Le Logis en Floréal te Watermaal-Bosvoorde (1921–1928), niet uitgevoerd in het functionalistisch idioom, maar naar het model van de Engelse Garden City, met verbeelding geïnterpreteerd door Louis Martin van der Swaelmen en J.J. Eggericx. In de jaren dertig vond het functionalisme nieuwe vertegenwoordigers in G. Eysselinck, M. Leborgne en L. Stijnen, resp. werkzaam te Gent, Charleroi en Antwerpen. De stijl kreeg meteen een meer voornaam, burgerlijk accent, vooral in het werk van Stijnen, die behalve de Elsdonckappartementen te Wilrijk (1933–1934) ook het casino te Knokke ontwierp (1928–1929; later verbouwd). Eysselinck wist in zijn belangrijkste werk, de Post van Oostende (1939–1948), het functionalisme te laden met een indrukwekkende monumentaliteit. Een vergelijkbare intentie blijkt uit het werk van de latere Henry Clemens van de Velde, die naast diverse woningen, de Universiteitsbibliotheek van Gent ontwierp (1936–1940). Te Antwerpen realiseerden o.a. E. van Steenbergen, G. Brosens en H. Hoste op de vrijgekomen gronden van de Wereldtentoonstelling van 1930 een aantal opmerkelijke residentiële ensembles. Anderzijds bouwde A. Francken aan het Stuyvenbergplein en aan de Geelhandlaan volkswoningbouwcomplexen naar Nederlands model. Anders dan in Nederland echter, waar de moderne architectuur spoedig algemeen ingang vond, behield ze in het liberale België een marginaal karakter.

1.9 Na de Tweede Wereldoorlog

Vlak na de Tweede Wereldoorlog werden de wederopbouw en de uitbouw van het woningbestand in hoofdzaak uitgevoerd door het privéinitiatief, dat hiertoe van overheidswege gestimuleerd werd: een planloos beleid dat gaandeweg tot een grondige transformatie van het landschap leidde. Slechts een klein aantal architecten kwam ertoe bewust architectuur te bedrijven en een eigentijdse stijl te ontwikkelen: o.a. Renaat Antoon Braem, R. Bastin, J. Dupuis, A. Bontridder, P. Callebout, A. Jacqmain en J.P. Blondel. Braem was (met Maeremans en Maes) de ontwerper van het Kiel te Antwerpen (1950–1954) en van de Cité modèle te Brussel (1950–1954; met Coolens, L’Equerre, Structures, Panis en Van Doosselaere) en (met De Mol en Moerkerke) van de wijk St.-Maartensdal te Leuven (1957). De Plaine de Droixhe te Luik (1956–1969) werd ontworpen door de groep EGAU. Ook te vermelden is de EGKS-woning van W. Vandermeeren en L. Palm, een prototype van een uiterst goedkope geprefabriceerde woning, die echter weinig toepassing vond. Voorbeelden van religieuze architectuur zijn de diverse kerken en kapellen van Bastin en het Clarissenklooster te Oostende (1957) van P. Felix. In de jaren zestig trad Marc Dessauvage op de voorgrond als de bouwer van een aantal ‘geseculariseerde’ kerken. Door de Wereldtentoonstelling 1958 veranderde de houding van het publiek en de overheid ten opzichte van de moderne architectuur. Ontdaan van haar oorspronkelijke intenties werd de architectuur echter veelal beschouwd als een nieuwe vorm van representatie en in de steden werd ze vaak een middel tot legitimatie van drastische en grootschalige ingrepen. De architecten die in de jaren zestig en zeventig op de voorgrond traden, waren o.a. André Jacqmain, Charles Vandenhove, L. Kroll, J. Tanghe, M. Dessauvage, G. Baines, P. Schellekens, B. van Reeth, W. Serneels, M. Culot, P. van Aerschot. Tot de meest opvallende realisaties van deze periode behoort een aantal universitaire ensembles: de restauratie van het Groot Begijnhof te Leuven door R. Lemaire (1964–1971), de universitaire campus Sart Tilman bij Luik (1960), gecoördineerd door O. Strebelle en met diverse bouwwerken van Bastin, Jacqmain, Vandenhove e.a., de medische campus van de Université Catholique de Louvain te Sint-Lambrechts-Woluwe met de ‘anarchistische’ woonstructuur van Lucien Kroll en de universitaire ‘new town’ Louvain-la-Neuve, waarbij werd beoogd vanuit de gedifferentieerde inbreng van een aantal bekende Franstalige Belgische architecten, gecoördineerd door R. Lemaire, een nieuw stadsweefsel op te bouwen.

1.10 Postmodernisme

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, onderging de architectuur door de opgang van een postmoderne beweging een grote verandering. Zo werden de banden met de geschiedenis weer opgenomen en kwam zowel de Italiaanse renaissance als het modernisme uit de jaren dertig opnieuw in de belangstelling. In België lag de nadruk vooral op de privéwoningbouw, representatief zijn o.m. het Hôtel Torrentius te Luik (1979) door Charles Vandenhove, de woning De Wachter te 's-Gravenwezel (1983–1985) door J. Crepain, de woning Van Pelt te Zoersel (1985–1987) en de woning Van Roosmalen te Antwerpen (1985–1988) door de werkgroep A.W.G. In de sector van de sociale woningbouw zijn het renovatieproject ‘Hors-Château’ (1978) door Ch. Vandenhove en het complex ‘Le Bernalmont’ (1980) door P. Arnould (beide te Luik) te vermelden. In Vlaanderen kregen de wedstrijden uitgeschreven door het ministerie van Huisvesting weinig respons. Het architecturaal bewustzijn groeide vooral door enkele privéinitiatieven, zoals de wedstrijden voor de filialen en gewestelijke zetels van de spaarbank BAC. In het Luikse werd terzelfder tijd een eigen architectuurtaal ontwikkeld, waarbij naast het werk van B. Albert, J. Séquaris en J. Berhaut-Streel, het Universitair Medisch Centrum te Sart Tilman (1962–1987) door Ch. Vandenhove en de Banque de Société Générale te Verviers (1981–1983) door E.J. Fettweiss tot de grotere realisaties behoren. Controversieel en veelbesproken omwille van de vormgeving zijn de twee complexen door het atelier ‘Grand Hornu’: de sociale woningen te Hornu (1977–1984) en het Institut psychiatrique te Wasmes (1981–1984). Tijdens deze periode werd het aantal studenten en afgestudeerden aan de instituten groter en kreeg ook de interieure ruimte meer aandacht. Efemere architecturen zoals winkels, galerieën en tentoonstellingsconcepten, voornamelijk in grote steden, bepaalden mee het beeld van de jaren tachtig. Deze ontwikkeling liep parallel met de recente ontwikkelingen in de beeldende kunst en in de mode. De integratie van de beeldende kunst in de architectuur is opvallend in het Koninklijk Salon van de Muntschouwburg te Brussel (1985–1986) en in de interventies in de woning Mys te Oudenaarde (1985–1988) door P. Robbrecht en H. Daem. De laatsten verbouwden aan het eind van het millennium voor het bedrijf Katoen Natie een aantal pakhuizen tot een groot, modern kantoor, waarbij de nieuwe elementen als trappenhuis en hoofdentree zijn verzelfstandigd door ze in maatvoering en materiaal sterk te laten afwijken van de oude pakhuizen. Een nouveauté is de in 2000 door Wim Cuyvers in Gits gebouwde glazen stolp die een vrijstaand woonhuis, in houtskeletbouw uitgevoerd, omsluit.

2. Beeldhouwkunst

In de Gallo-Romeinse periode (zie Gallia) werd beeldhouwwerk vervaardigd naar Romeins model. Het bestond vnl. uit grafmonumenten en voorstellingen van inheemse goden in Romeinse gedaante.

2.1 Romaans

De vormgeving van het romaans van voor 1100 in de Maasstreek is aan de realiteit ontheven. Ivoorsnijders, edelsmeden en houtsnijders illustreerden de evangeliën op ivoren diptieken en boekplatten, op draagbare altaren of in houten Maria- en Christusbeelden, beschilderd, beslagen met zilverplaten of versierd met edelstenen. In de 12de eeuw tekenen zich twee regionale scholen af, resp. gelegen in de stroomgebieden van Maas en Schelde. De Maaslandse school munt vooral uit in de metaalplastiek. Doornik, voornaamste centrum van de Scheldestreek, werd mettertijd de invalspoort voor Zuid-Franse invloeden. De stijl van deze beeldhouwkunst wordt mede bepaald door het materiaal van de streek: harde steen, uitstekend geschikt voor het houwen van laag- en hoog-reliëf rond kerkportalen, kapitelen en doopvonten.

Vorige
| | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum