Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Belgische architectuur en beeldende kunst

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 2 van 6

Belgische architectuur en beeldende kunst

Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht

1.3 Renaissancestijl

Elementen van de renaissancestijl (1520–1600, zie renaissance) werden het eerst bij laat-gotische gebouwen toegepast (prinsbisschoppelijk paleis te Luik), maar reeds in 1515 bij de intocht van Karel V te Brugge waren triomfbogen in de nieuwe stijl opgebouwd. In dezelfde stad werd in 1528 begonnen met de bouw van de Schouw van 't Vrije en in 1534 met de Burgerlijke Griffie (nog met gotische elementen). Omstreeks het midden van de 16de eeuw kwam de zuivere renaissancestijl, waarvan Cornelis Floris de Vriendt de vertegenwoordiger is, met o.a. het stadhuis te Antwerpen. In die geest zijn ook het Bisschoppenhof te Oudenaarde en de Lakenhal te Doornik opgetrokken. In het Landhuis te Veurne is de meer versierde stijl van Vredeman de Vries nawijsbaar.

1.4 Barok

In het begin van de 17de eeuw bracht W. Cobergher de barok binnen (kerk der Ongeschoeide Karmelieten te Brussel, Scherpenheuvel, Bergen van Barmhartigheid te Gent en te Doornik). Het schema van Franckaerts Jezuïetenkerk te Brussel inspireerde broeder Huyssens voor St.-Walburga te Brugge en St-Loup te Namen. Huyssens en Aguillon bouwden de St.-Carolus-Borromaeuskerk te Antwerpen (met binnengalerijen). Uit de tweede helft van de 17de eeuw zijn te vermelden: St.-Michiel te Leuven (Hesius), O.-L.-Vrouw van Hanswijk te Mechelen (Faydherbe) en de abdijkerken van Ninove, Averbode en Grimbergen.

1.5 Classicisme

Uit de tweede helft van de 18de eeuw dateren de classicistische kathedraal van Namen, St.-Jacob-op-den-Koudenberg te Brussel en de abdijkerk van Vlierbeek (deze laatste van Dewez, die ook het kasteel van Seneffe bouwde) (zie classicisme). De burgerlijke bouwkunst bleef tamelijk traditioneel (Palais Curtius te Luik, gildehuizen te Brussel en te Antwerpen). Bekende architecten omstreeks het midden van de 18de eeuw, die in een naar het rococo neigende classicistische stijl werkten, waren J.P. van Baurscheit de Jonge (koninklijk paleis en huis Osterrieth te Antwerpen, stadhuis te Lier) en D. 't Kindt (Corps de Garde en Hotel Oombergen, beide te Gent). Classicistisch is het paleis van Karel van Lotharingen te Brussel (J. Faulte) en de wat jongere heropbouw van de Brusselse bovenstad (B. Guimard).

In het begin van de 19de eeuw vond het neoclassicisme, de stijl van het postrevolutionaire Franse rationalisme, toepassing in verscheidene openbare gebouwen, vooral theaters, zoals de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel (1817–1819; verbouwd in 1986) door L. Damesme, het Théâtre Royal Français (later, tot 1980, Koninklijke Nederlandse Schouwburg) te Antwerpen (1829–1834) door P. Bourla, het theater van Luik (1826–1830) door A. Dukers en dat van Doornik (1824) door B. Renard. Deze laatste ontwierp vermoedelijk ook het opmerkelijke industriedorp Le Grand Hornu (1820–1832) in opdracht van de ‘verlichte’ industrieel H. De Gorge. Te Brussel bouwde H. Partoes een aantal rusthuizen, waarvan slechts het belangrijkste, het Hospice Pachéco (1824–1826), bewaard is gebleven. Het grootste neoclassicistische complex is de Universiteit te Gent (1818–1826) door L. Roelandt.

1.6 Eclecticisme

Na de Julirevolutie, waardoor de bourgeoisie haar macht versterkte, geraakte deze sobere stijl in diskrediet en ving de ontwikkeling aan van het eclecticisme, een ‘rijker’ samenstel van stijlen dat het burgerlijke leven luister moest bijzetten. Dit is reeds merkbaar in het volgende werk van Roelandt, het Justitiepaleis (1835) en de Opera (1840) van Gent, die hij uitvoerde in neorenaissance. In dezelfde stijl bouwde ook J.P. Cluysenaar de Cité te Antwerpen (1843; afgebroken) en de fraaie St.-Hubertusgalerijen te Brussel (1846). De eclectici beperkten zich niet tot de diverse stadia van de renaissance, maar grepen spoedig terug naar zowat alle stijlen uit het verleden, waarvan ze in een verder stadium de meest geschikte elementen selecteerden om er nieuwe ensembles mee op te bouwen, vaak beantwoordend aan nieuwe programma's. Dit wordt o.m. geïllustreerd door de verdere ontwikkeling van Cluysenaar, die zijn verschillende gebouwen (kerken, theaters, spoorwegstations, landhuizen, enz.) steeds in andere stijlcombinaties wist in te kleden. Het gebruik van neostijlen werd met allerlei betekenissen verbonden. In het algemeen associeerden deze stijlen de opgang van de bourgeoisie met de bloeitijdperken van de westerse geschiedenis. Zo voerde J. Schadde de Nieuwe Handelsbeurs van Antwerpen uit in neo-Venetiaanse gotiek (1869–1872). Sommige stijlen werden geëigend geacht voor bepaalde functies: zo werden de gevangenissen vaak uitgevoerd in Tudorstijl (vanwege zijn gestrengheid), officiële gebouwen volgens een variant van de renaissance (bijv. de Brusselse Beurs; 1873 voltooid door L.P. Suys) en de kerken in een van de middeleeuwse stijlen. Opmerkelijke voorbeelden hiervan zijn: de Koninklijke St.-Mariakerk te Schaarbeek (1845; neo-Byzantijns), door L. Van Overstraeten, de St.-Bonifaciuskerk te Elsene (1847–1857, neogotisch), door J.J. Dumont, en de St.-Joriskerk te Antwerpen (1847–1852; neogotisch), door L.P. Suys. De neogotiek vond een vurig verdediger in J.B. de Béthune, die o.a. de abdij van Maredsous ontwierp, de Sint-Lukasscholen oprichtte en een belangrijke rol speelde in de ideologische strijd tussen de aanhangers van neogotiek en neorenaissance, die deze stijlen voorstonden als de uitdrukking van een christelijk resp. laïcistisch wereldbeeld. De confessionele en de officiële scholen die naar aanleiding van de Schoolstrijd van de jaren 1870 tot stand kwamen, worden duidelijk door deze tegenstelling getekend. Wanneer het eclecticisme terugging naar vormen uit het eigen verleden, werd er meestal een nationalistische betekenis aan gehecht. Dit geldt bijv. voor de neo-Vlaamse renaissance van H. Beyaert in de Nationale Bank te Antwerpen (1875–1879), en van J. van IJsendijck in het Stadhuis van Schaarbeek (1885–1887) en het Zuidstation van Antwerpen (1896–1898; afgebroken).

Een van de imposantste gebouwen van de 19de eeuw is het Brusselse Justitiepaleis (1866–1883), waarin Joseph Philippe Poelaert zowat geheel het antieke vormenarsenaal aanwendde om het staatsgezag met een soort van absolute monumentaliteit te bekrachtigen. Het meest verfijnde eclecticisme vertoont het neoklassieke gebouw van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel (1875–1880) van A. Balat, die ook de koninklijke serres te Laken (1874–1893) ontwierp. Samen met het gave slachthuis van Anderlecht (1889), door E. Tirou, behoren ze tot de meest geslaagde ingenieursconstructies. Een opmerkelijke synthese van ingenieursconstructie en eclecticisme treft men aan in het Centraal Station van Antwerpen, gebouwd tussen 1895 en 1905 door L. de la Censerie. Het eclecticisme kende zijn meest uitbundige celebratie op residentiële schaal, met name in de Cogels-Osybuurt te Berchem, die door architecten als J. Bascour, E. Stordiau en E. Dieltiens als een staalkaart van neostijlen werd opgebouwd.

1.7 Art nouveau

Als reactie tegen het eclecticisme ontwikkelden Victor Horta, P. Hankar en Henry Clemens van de Velde in de jaren 1890 de art nouveau. Zij verwierpen de 19de-eeuwse mengvormen, die zij als uitgeholde formules beschouwden, en vooral Horta creëerde met de bouw van een aantal hôtels (o.a. Tassel, Solvay) en het Volkshuis te Brussel (1896–1899; 1965 afgebroken) een geheel nieuwe en als dusdanig internationaal erkende stijl, die teruggrijpt naar de vormen van de natuur, en met een ruimteopvatting die verwijst naar een nieuwe dynamische relatiestructuur. In het begin van de 20ste eeuw kende de art nouveau nog veel navolging in de meeste Belgische steden, maar daar deze stijl steunde op het verfijnde werk van ambachtslieden, dat naargelang maatschappelijke hervormingen tot stand kwamen steeds minder betaalbaar werd, moest hij ca. 1910 plaatsruimen voor een eenvoudiger en realistischer stijl: het romantisch rationalisme van Antoine Pompe, F. Bodson en F. Bochoms.

Vorige
| | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum