![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 9 van 11
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Staatsinrichting en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
Bij de dood van Lodewijk de Vrome (840) verdween de eenheid van het Frankische Rijk, dat door het Verdrag van Verdun (843) in drieën werd verdeeld: Francia Occidentalis of West-Francië, Francia Media of Midden-Francië en Francia Orientalis of Oost-Francië. Het westelijke deel van het huidige België behoorde tot West-Francië, het oostelijke deel tot Midden-Francië. De Schelde vormde de grens tussen beide. Het noordelijke deel van Midden-Francië kreeg later de naam Lotharingen en werd in de tweede helft van de 10de eeuw verdeeld in Neder-Lotharingen en Opper-Lotharingen. Het oostelijke deel van het huidige België behoorde tot Neder-Lotharingen. Ten gevolge van de invallen van de Noormannen, het verval van het centrale gezag en de onbekwaamheid om zijn onderdanen te beschermen, verloor de koning in Frankrijk (zoals West-Francië werd genoemd) vanaf het einde van de 9de eeuw de absolute macht, die hij sedert het begin van het Frankische koningschap bezat. Enkele gouwgraven, die als ambtenaar bepaalde gebieden in naam van de koning bestuurden, maakten nu ook territoriale aanspraken en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. Zo legden de gouwgraven Boudewijn I en Boudewijn II de grondslagen van het graafschap Vlaanderen. Dit gebied had eeuwenlang af te rekenen met de Franse centralisatiepolitiek, maar kon, dankzij vooral de Guldensporenslag (1302), zijn zelfstandigheid bewaren. In Neder-Lotharingen deed zich een gelijkaardige ontwikkeling voor, maar later dan in Frankrijk. De graven van Leuven wisten hun macht geleidelijk uit te breiden en zo de basis te leggen van het hertogdom Brabant. Het graafschap Bergen vormde de kern van het graafschap Henegouwen. Andere Lotharingse vorstendommen waren Limburg, Loon, Luxemburg, Namen en Bouillon. Een bijzondere plaats werd ingenomen door het prinsbisdom Luik, dat is ontstaan door het verlenen van wereldlijke macht aan de bisschop van Luik. Het prinsbisdom zou, in tegenstelling tot de andere genoemde vorstendommen, die vanaf de 14de eeuw in een groter geheel werden opgenomen, tot aan de Franse Revolutie een onafhankelijk bestaan leiden. In vergelijking met de Arabische en Byzantijnse beschavingen waren de gewesten die het huidige België vormden, in de 10de eeuw een achterlijk, agrarisch en ontvolkt gebied. Vanaf ca. 1050 begon evenwel een periode van economische groei (verhoogde landbouwopbrengst), die gepaard ging met een demografische explosie. Als gevolg daarvan kon een groter deel van de bevolking zich vrijmaken voor handel en industrie. In het graafschap Vlaanderen was laken het belangrijkste industrie- en uitvoerproduct. Lakenindustrie kwam ook voor in Henegouwen, waar tevens Doornikse natuursteen werd voortgebracht en geëxporteerd in de vorm van doopvonten en grafstenen. Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw begonnen ook de Brabantse steden laken te produceren. In Luik was messing het voornaamste industrieproduct. De dinanderie kreeg Europese vermaardheid. In 1195 werd in het Luikse de eerste steenkool ontgonnen. Overal ontstonden jaarmarkten, vaak op initiatief van graven en hertogen, die buitenlandse kooplieden aantrokken. In Vlaanderen werden ze gehouden te Ieper, Brugge, Rijsel, Torhout en Mesen, in Brabant te Antwerpen en Bergen op Zoom. Met het oog op de buitenlandse handel verenigden de kooplieden uit een zelfde stad zich in een hanze. Later sloten verscheidene hanzen zich aaneen. Zo ontstonden de Vlaamse Hanze van Londen (handel op Engeland en Schotland) en de Hanze der XVII Steden (handel op Italië). Vanaf ca. 1350 trad in Europa een economische depressie op. De ‘zwarte dood’ (pest) roeide een derde van de bevolking uit. In de gewesten van het huidige België had de crisis een eerder mild karakter. De traditionele Vlaamse lakennijverheid kon standhouden, maar had erg te lijden onder het verval van de jaarmarkten van Champagne (de Italiaanse kooplui kwamen met hun schepen nu zelf naar Damme) en onder de concurrentie van het Engelse en Brabantse laken. In Brabant bloeide de lakenindustrie op tot ca. 1350, waarna zij vervalverschijnselen ging vertonen. In Luik verschenen in de 14de eeuw de eerste hoogovens, waardoor de ijzerproductie geweldig steeg en de spijker- en wapenindustrie ontstond. Dankzij zijn financiële infrastructuur kon Brugge zich als internationale handelsmetropool handhaven tot eind 15de eeuw. De groei van handel en nijverheid heeft de opkomst van de steden in de hand gewerkt. Vanaf de 11de eeuw dwongen de stadsbewoners vrijheden af van de heren van hun gewesten. De oudst bewaarde keure is die van Hoei (1066). De kooplieden kregen in zekere mate zelfbestuur in de steden. Hun heerschappij moesten ze in de 14de eeuw delen met de ambachtslieden. Het gesalarieerde proletariaat kwam nauwelijks aan bod. Nog in de 14de eeuw kregen de steden medezeggenschap in het beleid van de vorst. In Brabant bijv. werd de verhouding tussen vorst en onderdanen geregeld door de Blijde Inkomst (1356).
Bij zijn dood (1384) werd Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, opgevolgd door zijn dochter Margaretha van Male, die in 1369 was gehuwd met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Daarmee deed het Bourgondische Huis zijn intrede in de geschiedenis der Nederlanden. Onder Filips’ impuls werden de meeste vorstendommen die het huidige België vormden, opgenomen in wat eerst de Bourgondische gewesten en later de Zuidelijke Nederlanden werd genoemd, mede door de gevolgen van het dubbelhuwelijk van Kamerijk (1385). De eerste hertog van Bourgondië, Filips de Stoute, volgde in 1384 in Vlaanderen (waar sinds 1356 Mechelen en sinds 1361 het graafschap Artesië deel van uitmaakten) op. Zijn kleinzoon Filips de Goede, die in 1419 graaf van Vlaanderen werd, kocht in 1421 het graafschap Namen af, waar hij in 1429 de overleden graaf Jan III opvolgde. In 1430 werd Filips hertog van Brabant-Limburg. Daartoe had hij zich in 1427 tot erfgenaam van Filips van Saint-Pol laten benoemen. Hij slaagde er in 1433 in Jacoba van Beieren te dwingen haar graafschappen Holland-Zeeland-Henegouwen af te staan. Ten slotte droeg Elisabeth van Görlitz in 1444 het bestuur van het hertogdom Luxemburg aan Filips over en bij haar dood (1451) volgde deze haar op als hertog van Luxemburg. Aldus was Filips erin geslaagd de landen van herwaarts over in een personele unie te verenigen. Zijn zoon en opvolger, Karel de Stoute, poogde tevergeefs deze Nederlandse gewesten geografisch te verbinden met de landen van derwaarts over (Bourgondië en Franche-Comté) door Elzas-Lotharingen te veroveren. Het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk onttrok de Nederlanden aan de Franse dreiging (na de dood van Karel de Stoute in 1477 palmde de Franse koning onmiddellijk Bourgondië in en viel hij ook de Nederlanden aan), maar het bracht de Bourgondische erfenis in het Huis Habsburg. Na Maria's dood (1482) voerde Maximiliaan tot 1494 het regentschap voor hun zoon Filips de Schone, de laatste vorst die over de Nederlanden een persoonlijk bewind voerde (1494–1506). Om hun gebieden te besturen creëerden de Bourgondische hertogen een aantal centrale instellingen. De kanselier van Bourgondië was de spil van het regeringsapparaat. Officieel was hij de bewaarder van het groothertogelijke zegel, maar omdat dat zegel aan alle hertogelijke oorkonden werd gehangen, had hij inspraak in de vorstelijke beslissingen. Hij was ook voorzitter van de Hofraad, samengesteld uit een onbepaald aantal aan het hof verblijvende raadsleden. Uit de Hofraad groeide langzamerhand een aantal gespecialiseerde instellingen: de Grote Raad, die de centrale rechtspraak voor zijn rekening nam; de Rekenkamer, voor de financiële controle; en tijdens de Habsburgse periode de Geheime Raad, voor het politieke beleid. Adel, geestelijkheid en steden waren vertegenwoordigd in de gewestelijke Staten. Hun eerste gezamenlijke vergadering, de Staten-Generaal, had plaats in 1464. De Staten-Generaal werd geraadpleegd voor de belangrijke politieke problemen, vooral voor de goedkeuring van beden. Naast de centrale instellingen werden ook gewestelijke regeringsorganen in het leven geroepen: de Raad van Vlaanderen, de Raad van Brabant, raadkamers onder het gezag van de Grote Raad in Henegouwen, Namen en Luxemburg, rekenkamers te Rijsel (voor o.m. Vlaanderen, Henegouwen en Namen) en te Brussel (voor Brabant, Limburg en Luxemburg). De economische geschiedenis van de Bourgondische Nederlanden werd sterk beïnvloed door het politieke gebeuren. Tot aan de Vrede van Atrecht (1435) leed de internationale handel van Vlaanderen onder de in 1337 begonnen Honderdjarige Oorlog. Vanaf de 15de eeuw verschoof het economische – en ook het politieke – zwaartepunt van Vlaanderen naar Brabant, waar de jaarmarkten een doorvoerfunctie in de handel tussen Engeland en Duitsland vervulden. De gezonde muntpolitiek van Filips de Goede bracht rust in de arbeidsverhoudingen. Op het einde van de 15de eeuw werd Antwerpen ook de hoofdzetel van de Portugese specerijenhandel in Noordwest-Europa. Nog in de 15de eeuw kwam – ondanks protectionistische maatregelen – een einde aan de monopoloïde positie van de traditionele Vlaamse en Brabantse luxelakennijverheid. Oorzaken daarvan waren de concurrentie van het goedkopere buitenlandse laken, het streven van de ambachten om de verworven rechten te behouden, waardoor iedere structurele vernieuwing onmogelijk werd, en de opkomst van zijde, fluweel en katoen. Wel heeft de goedkopelakenproductie (de zgn. nieuwe of lichte draperie), die geconcentreerd was in de kleine steden en op het platteland, stand weten te houden. Ook de vlasnijverheid, die linnen of lijnwaad voortbracht, ontwikkelde zich verder. Zij was geconcentreerd in de valleien van de Schelde, de Leie en de Dender. In de zuidelijke gewesten streefde de ijzernijverheid de koperindustrie voorbij, dankzij de ontwikkeling van hoogovens en de inschakeling van waterkracht bij het smeltingsprocédé. Mechelen werd het centrum van de kanonnen- en de klokkengieterij.
Het ontstaan van de Zeventien Provinciën. Sinds 1506 (dood van Filips de Schone) waren de Nederlanden een bestanddeel van het erfgoed van de Habsburgers en werd de koninklijke of keizerlijke macht er vertegenwoordigd door landvoogden. Margaretha van Oostenrijk bekleedde deze functie tijdens de minderjarigheid van Filips’ zoon Karel van Luxemburg, de latere Karel V. Zij bestuurde de Nederlanden vanuit haar paleis te Mechelen, waar zij ook instond voor de opvoeding van Karel. Sinds 1504 was de Grote Raad van Mechelen het hoogste rechtsprekende orgaan van de Nederlanden. Margaretha kreeg (o.a. voor haar politiek tegen het onafhankelijke Gelre) af te rekenen met de Staten-Generaal, het overkoepelend orgaan van de Provinciale Staten, waarin voor elk gewest de drie standen (clerus, adel en burgerij) vertegenwoordigd waren. Op een vergadering van de Staten-Generaal te Brussel (1515) werd Karel van Luxemburg meerderjarig verklaard. Toen Karel in 1517 naar Spanje vertrok om zijn grootvader langs moeders zijde, Ferdinand van Aragón, op te volgen, droeg hij het bestuur over aan de Grote Raad, waarin ook Margaretha zitting kreeg. Terwijl zij het bewind over de Nederlanden weer strak in handen had, slaagde Karel V erin een einde te maken aan het leenheerschap van Frankrijk over Vlaanderen, Artesië en het in 1521 onderworpen Doornik. Na Margaretha's dood (1530) legde Karel V zich bijzonder toe op de eenmaking van de Nederlanden, die gestalte kreeg in de Pragmatieke Sanctie van 1549. Het bestuur over de Nederlanden (of Bourgondische Kreits) werd toevertrouwd aan een landvoogdes (Maria van Hongarije) en de Raad van State. De opstand tegen het Spaans bewind van Filips II. Vanaf 1555 versterkte de opvolger van Karel V, Filips II, de tendens tot absolutistische macht. Hierdoor stootte hij een deel van de hoge adel voor het hoofd, zodat deze in verzet kwam (bijv. de onenigheid binnen de Raad van State tussen kardinaal Granvelle en de raadsheren Willem van Oranje, Lamoraal van Egmont en Filips van Horne). In het begin van de 16de eeuw was in de Nederlanden het protestantisme opgedoken, en noch de plakkaten tegen de ketters noch de staatsinquisitie, die vanaf 1522 streng repressief optrad, hadden de verspreiding ervan kunnen inperken. Tijdens de regering van Filips II sloot de lagere adel, waarvan vele leden de Reformatie of de godsdienstvrijheid aanhingen, het Eedverbond der edelen of Compromis (1565), waarachter zich o.a. ook Brederode en Lodewijk van Nassau schaarden. Filips II drong echter op onverminderde uitvoering van de plakkaten aan. Vooral ophitsende calvinistische predikaties leidden in 1566 tot de Beeldenstorm. Om de schuldigen te bestraffen, verving de koning zijn diplomatische landvoogdes Margaretha van Parma door de hertog van Alva. Velen die zich om hun houding bedreigd voelden, weken uit. Sommigen groepeerden zich voor gewapend verzet onder leiding van Willem van Oranje, die eveneens de Nederlanden had verlaten. De Tachtigjarige Oorlog in Noord en Zuid tussen de opstandelingen en de Spaanse monarchie kende een wisselend verloop al naar gelang de opstelling van de westerse mogendheden Spanje, Engeland en Frankrijk. Het uiteindelijke resultaat was de onafhankelijkheid van het Noorden (1648), maar deze uitslag kon men bij aanvang van het conflict zeker niet voorspellen. Het Zuiden was, uit geografisch oogpunt, steeds de operatiebasis van de Spaanse troepen en had bijgevolg erg te lijden onder de overlast van deze slecht betaalde troepen (bijv. de Spaanse Furie te Antwerpen). Toen Alva's opvolger, Requesens, in 1576 overleed, vergaderde de Staten-Generaal op initiatief van de Staten van Brabant, waarbij de Pacificatie van Gent werd gesloten, die vrijheid van godsdienst uitriep. Deze werd echter feitelijk door de opstandelingen niet onderhouden, onder voorwendsel dat ook de nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, haar overtrad. Toen de calvinisten zich in vele grote steden (o.m. te Gent) meester maakten van het gezag, keerden de katholieke malcontenten zich van hen af en zij verzoenden zich in de Unie van Atrecht (1579) met Filips II. Alexander Farnese, hertog van Parma, onderwierp daarna vrijwel geheel Vlaanderen en het merendeel van Brabant (val van Antwerpen, 1585; zie beleg van Antwerpen). In de heroverde gebieden werd het katholicisme als staatsgodsdienst hersteld en verdween het protestantisme vrijwel geheel. Onder Spaans bewind. Kort voor zijn dood stond Filips II de soevereiniteit over de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella, die in het huwelijk zou treden met Albrecht van Oostenrijk. De onderwerping van het noorden aan de aartshertogen Albrecht en Isabella bleek een ijdele verwachting, en dezen regeerden dan ook slechts over de Zuidelijke Nederlanden. Op Albrechts initiatief werd met de Republiek der Verenigde Nederlanden onderhandeld, wat in 1609 leidde tot het Twaalfjarig Bestand, waarbij de facto de onafhankelijkheid van de Republiek werd erkend. Daar de aartshertog kinderloos overleed (1621), keerden de Zuidelijke Nederlanden onder Spanje terug. Meteen herbegon de oorlog, die duurde tot aan de Vrede van Münster (1648), waarbij de Zuidelijke Nederlanden Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant en grotendeels de Landen van Overmaze moesten prijsgeven. Sedert 1635 waren de Zuidelijke Nederlanden bijna gedurig in oorlogen tegen Frankrijk betrokken; zij waren er ook meestal het slagveld van. Daarbij verloren zij een deel van Henegouwen en van Vlaanderen. Voor volledige inlijving bij Frankrijk werden zij behoed door de Republiek en Engeland, die de Rijngrensdroom van Lodewijk XIV verijdelden (o.a. door de eerste barrièretraktaten). Deze Franse bedreiging bereikte een hoogtepunt tijdens de Spaanse Successieoorlog (1700–1713). Het economische leven in de Zuidelijke Nederlanden, dat in de 16de eeuw een ongekende bloei was tegemoet gegaan, werd ten gevolge van langdurig oorlogvoeren zwaar geschaad. Het internationale commerciële centrum Antwerpen, dat door zijn opgang het economische zwaartepunt van Vlaanderen (Brugge) naar Brabant verplaatst had, zag sinds de Scheldesluiting (1585) zijn functie als zeehaven, alsmede zijn financiële hegemonie in Europa verloren gaan; wel bleef de stad het voornaamste handelscentrum van de Zuidelijke Nederlanden. Erger werd het platteland getroffen door troepenverplaatsingen en plunderingen. Hongersnood en pestepidemieën kwamen de ellende nog vergroten. Sedert het bewind van de aartshertogen was een zeker herstel opgetreden. Achter de vernieuwde dijken werden de meeste verlaten hoeven weer geëxploiteerd en ook de plattelandsindustrie beleefde een heropbloei (o.a. de vlas- en linnennijverheid in Vlaanderen). Het herstel was echter niet blijvend en de dalende trend van de landbouwprijzen in de tweede helft van de 17de eeuw bracht nieuwe moeilijkheden mee. Op het einde van de 17de eeuw werd weer een dieptepunt bereikt ten gevolge van het niet ophoudende oorlogsgeweld. In de jaren 1692–1694 en 1698–1699 heerste scherpe hongersnood. Onder Oostenrijks bewind. De Vrede van Utrecht (1713) wees de Zuidelijke Nederlanden toe aan de Oostenrijkse pretendent, keizer Karel VI. Deze liet zich vertegenwoordigen door een gouverneur-generaal en voor het feitelijke dagelijks bestuur voerde hij de functie van gevolmachtigd minister in. De minister van Eugenius van Savoye (gouverneur-generaal van 1716 tot 1724) was de markies van Prié, die herhaaldelijk in conflict kwam met de Zuid-Nederlandse gilden en edelen. Prié onderdrukte het verzet van de Brusselse gildedekens en liet in 1719 hun leider Frans Anneessens terechtstellen. Na de dood van Karel VI brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit, die deels weer op Zuid-Nederlands grondgebied werd beslecht. De dochter van Karel VI, Maria Theresia, volgde hem op en zij kon bij de Vrede van Aken (1748) haar recht op de Zuidelijke Nederlanden doen erkennen. De belangrijkste gouverneur-generaal onder haar bewind was de populaire Karel van Lotharingen (1741–1744, 1749–1780), die van 1753 tot 1770 de graaf van Cobenzl als gevolmachtigd minister had. Cobenzl was een aanhanger van de Verlichting en voerde een actieve economische en culturele politiek, waarbij de Zuidelijke Nederlanden weer een zekere opbloei kenden. Hij hervormde tevens de financiën en wist de centrale macht van Brussel te verstevigen. De politiek van Verlichting, centralisatie en absolutisme, die de keizerin voorstond, werd na haar dood nog krachtiger en met minder ontzag voor de gewestelijke en stedelijke tradities voortgezet door haar zoon Jozef II, die o.m. een edict van religieuze tolerantie uitvaardigde (1781), de beschouwende kloosters ophief (1783) en de bisschoppelijke seminaries verving door een seminarie-generaal te Leuven (1786). Hij moderniseerde grondig het hele bestuursstelsel en het gerecht (1787). Daardoor krenkte hij zoveel gevoelens en belangen, dat in brede kringen van de bevolking het verzet rijpte, dat tot de Brabantse Omwenteling (1789) leidde en waarbij de Staten-Generaal, onder leiding van Van der Noot, in 1790 de onafhankelijkheid uitriep van de ‘Verenigde Belgische Staten’, een statenbond van vrijwel soevereine gewesten, met slechts een minimum van bevoegdheden voor een overkoepelend congres. Onderlinge verdeeldheid (o.a. tussen de conservatieve Statisten en de liberale Vonckisten) en gewestelijk particularisme baanden echter de weg voor de Oostenrijkse restauratie (december 1790). In 1792 vielen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen. Na hun overwinning bij Jemappes (6 november) bezetten zij het gehele land en het prinsbisdom Luik. Zij moesten zich echter terugtrekken na hun nederlaag bij Neerwinden (18 maart 1793). Aan de tweede Oostenrijkse restauratie kwam een eind door de definitieve Franse overwinning behaald in de Slag bij Fleurus (26 juni 1794).
Direct na Fleurus werden de hervormingen van de Franse Revolutie geleidelijk ingevoerd en het ancien régime werd in de Zuidelijke Nederlanden afgeschaft. Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden als Belgische departementen bij de Franse Republiek ingelijfd. De kerkvervolging en de conscriptie (dienstplicht) leidden in 1798 tot opstanden als de Boerenkrijg. Ontspanning kwam er pas met het consulaat van Napoleon I Bonaparte en met het concordaat dat de paus met hem afsloot. Tijdens de Franse tijd werd de Industriële Revolutie, reeds voorbereid onder het Oostenrijks bewind, met kracht doorgevoerd o.m. door Lieven Bauwens te Gent en met William Cockerill te Verviers; beiden mechaniseerden de textielindustrie en brachten de tot dan toe opgesplitste fabricageprocédés in een groot gebouw onder (meestal een klooster of abdij). Zo ontstond de moderne fabriek. De nieuwe industriëlen in België werkten volop voor ‘La Grande Armée’ en volgden het wel en wee van de Franse keizer. De bevolking was gelaten, maar reageerde wel hevig tegen de conscriptie en tegen de zware belastingen. Het invoeren van het Frans als officiële taal versnelde het verfransingsproces in Vlaanderen. Bij de Slag bij Waterloo stonden Belgische soldaten zowel aan de kant van de geallieerden (bij het korps van Chassé) als aan de zijde van Napoleon. De val van Napoleon werd in de Belgische gewesten wel met vreugde begroet, al wist men niet goed wat de toekomst zou brengen.
Na de ineenstorting van het Franse keizerrijk stuurde Engeland aan op de hereniging van Noord- en Zuid-Nederland, teneinde een sterke bufferstaat tegen Frankrijk tot stand te brengen. Op 21 juni 1814 ondertekenden de grote mogendheden de Acht Artikelen van Londen, waarbij tot de hereniging werd besloten, en een maand later (21 juli) werden zij ook door Willem I aanvaard. Op 21 september 1815 legde deze de grondwettelijke eed af als ‘Koning der Nederlanden’. Het beleid van Willem I heeft voor de Belgische gewesten belangrijke vruchten afgeworpen. De verdere industrialisatie, gestimuleerd door de oprichting (1822) van de Société générale des Pays-Bas pour favoriser l’industrie nationale, kwam in de eerste plaats de Waalse mijnbouw en metaalindustrie ten goede, maar ook de Vlaamse textielindustrie kende, na enkele crisisjaren, sedert 1823 een grote expansie. Deze ontwikkeling kwam vooral de burgerij ten goede en kon aan het bestaande pauperisme geen einde maken. Om het analfabetisme te bestrijden werd de uitbreiding van het lager onderwijs grondig aangepakt. Voorts richtte Willem I verscheidene athenea voor middelbaar onderwijs, een rijksnormaalschool (Lier) en drie rijksuniversiteiten (Gent, Leuven en Luik) op. Op taalgebied streefde de koning naar de geleidelijke invoering van het Nederlands als officiële taal in Vlaanderen. De onderwijspolitiek van Willem I botste echter op hevig katholiek verzet. De afschaffing van het vrije (katholieke) middelbaar onderwijs, de sluiting van de bisschoppelijke seminaries en de oprichting van het Collegium Philosophicum voor priesteropleiding onder staatstoezicht vormden de inzet van een ware schoolstrijd (zie Schoolstrijd). Willem I vond slechts steun bij de liberale opinie die ook gevoelig was voor de resultaten van het economische beleid. Na 1825 kwam hierin echter een kentering. Onder invloed van het Franse liberalisme legden jongere liberalen, voor wie het antiklerikalisme minder aantrekkingskracht bezat, de nadruk op de strijd voor een nieuwe staatsorde, gebaseerd op het beginsel van de natiesoevereiniteit en de erkenning van de individuele vrijheden. Liberalen en katholieken sloten zich geleidelijk aaneen rond een gemeenschappelijk eisenprogramma (pers-, taal-, godsdienst- en onderwijsvrijheid, ministeriële verantwoordelijkheid) en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (het zgn. monsterverbond of Unionisme). Mede onder invloed van de slechter wordende economische toestand en de Franse Julirevolutie kwam het op 25 augustus 1830 te Brussel tot relletjes, die vrij onverwacht leidden tot de afscheuring van de zuidelijke provincies en tot de oprichting van het koninkrijk België (zie Belgische Revolutie). Nadat het Voorlopig Bewind op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, werd op 3 november door ca. 30 000 cijns- en bekwaamheidskiezers het Nationaal Congres verkozen, dat op 7 februari 1831 de Grondwet goedkeurde. Ondertussen was op 4 november 1830 te Londen een diplomatieke conferentie begonnen, die over de toekomst van het opstandige België moest beslissen. Op 20 december 1830 erkenden de grote mogendheden de scheiding van België en Nederland. Het Nationaal Congres verkoos op 3 februari 1831 de hertog van Nemours, tweede zoon van de Franse koning, tot ‘koning der Belgen’. Deze weigerde echter de kroon te aanvaarden en op 24 februari werd Surlet de Chokier, voorzitter van het Nationaal Congres, tot regent aangesteld. Op 4 juni 1831 ging het Congres over tot de verkiezing van Leopold van Saksen-Coburg-Gotha tot staatshoofd. Deze aanvaardde de troon pas nadat België het Traktaat der XVIII Artikelen had goedgekeurd (9 juli 1831). Op 21 juli 1831 legde Leopold de eed af als eerste koning der Belgen. Na de Tiendaagse Veldtocht (2–12 augustus) werd het Traktaat vervangen door het Verdrag der XXIV Artikelen, dat pas in 1839 door Nederland werd aanvaard.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |