Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 7 van 11

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

4.6 Grondstoffenvoorziening

Behalve voor minerale niet-metaalhoudende producten is België inzake grondstoffenvoorziening vrijwel volledig aangewezen op het buitenland. Volgens de typeclassificatie van de internationale handel (TCIH) vertegenwoordigen de niet-energetische grondstoffen ongeveer 9% van de waarde van de totale Belgische invoer. De belangrijkste grondstoffeninvoer is die van ertsen, aardolie en chemische producten.

4.7 Energievoorziening

De netto-elektriciteitsproductie bedroeg in 1993 67 108 Gwu. Tussen 1973 en 1994 had een aardverschuiving plaats in de gebruikte brandstoffen voor elektriciteitsproductie. In 1973 was dat voor steenkool 13%, olie 52%, aardgas 32,2%, kernenergie 0,2% en water 1,6%; de toestand in 1994 was resp. 25,2%, 2%, 15,3%, 55,3% en 1,7%. In december 1988 besliste de regering dat de bouw van een bijkomende kerncentrale niet opportuun was; België telde op dat moment zeven nucleaire centrales: vier in Doel en drie in Tihange.

De grootste afnemers van de ingevoerde steenkool zijn de cokesfabrieken, de elektrische centrales en de industrie. Aardgas deed zijn intrede op de Belgische markt in 1966. In 1993 liep de aardgasverkoop op tot 435 GJ (Gigajoule). Aan de industrie werd 294 miljoen GJ verkocht. België betrekt zijn aardgas (1993) voor 35% uit Nederland, 22% uit Noorwegen, 33% uit Algerije en 10% uit andere landen. In totaal wordt jaarlijks 500 miljoen GJ ingevoerd. Het verbruik van de huishoudelijke sector bedroeg 141 miljoen GJ, waarvan 95% voor verwarming. In meer dan 2 miljoen woningen werd aardgas gebruikt; ongeveer 1,43 miljoen woningen werden met aardgas verwarmd. In Zeebrugge werd in 1987 een terminal voor de aanvoer van vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) uit Algerije in gebruik genomen. Door akkoorden met Noorwegen over de Zeepipe-leiding en de exploitatie van het Troll-veld zou Zeebrugge in de loop van de jaren negentig uitgroeien tot een draaischijf van het Europese aardgastransport. In de oliesector werd de Belgische raffinage-industrie in het begin van de jaren tachtig getroffen door de rationalisatie die na de tweede oliecrisis noodzakelijk was geworden. In 1987 bedroeg de totale distillatiecapaciteit van de Belgische raffinaderijen nog 35,270 miljoen t, tegenover 55,554 miljoen t in 1979. Die capaciteit werd voor 78,1% benut. De productie van afgewerkte olieproducten bedroeg in 1993 27 774 miljoen ton. De Belgische invoer was afkomstig uit de Noordzee (22,1%), Saoedi-Arabië (12,1%), Libië (11%), Iran (11%) en de voormalige Sovjet-Unie (10,9%). Het leeuwendeel van het verbruik had betrekking op gasoil (38%), residuele stookolie (23,8%) en autobenzines (20%).

4.8 Industrie

Bij het begin van de 19de eeuw lag het zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid nog in het Nederlandstalige landsgedeelte: textielnijverheid. De Industriële Revolutie en de ontginning van de steenkoolbekkens van Wallonië brachten een verschuiving mede in de richting van het zuiden en de streek van Luik. Sinds de eeuwwisseling en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de industrie zich weer sneller in de noordelijke provincies. Onder de factoren die de naoorlogse verschuiving in de hand werkten, dienen vooral vermeld: de ontginning van het Kempisch steenkoolbekken, de wijzigingen in de energiebalans, de betere demografische verhoudingen in het Vlaamse gewest, de verkeersgeografische ligging en de vestiging van filialen van buitenlandse ondernemingen, mede in de hand gewerkt door een actief overheidsingrijpen. Vooral in Henegouwen, lange tijd een van de meest dynamische provincies op het gebied van de nijverheid, deden zich grote omschakelingsproblemen voor. Teneinde de industriële investeringen te bevorderen, werd in 1959 een zgn. wetgeving op de economische expansie in het leven geroepen (Wetten van 17 en 18 juli 1959). De eerste wet voorzag in algemene overheidstussenkomst, hoofdzakelijk in de interestlast van voor investeringsdoeleinden bestemde leningen en toekenning van een staatswaarborg betreffende de terugbetaling van door parastatale of privékredietinstellingen verstrekte leningen. De tweede wet maakte een meer selectieve interventie mogelijk. Hiertoe werden bij K.B. van 27 november 1959 vijftien ontwikkelingszones aangewezen. Deze wetgeving werd vernieuwd door de Wet op de economische expansie van 24 december 1970. Om de economische omschakeling en de ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden en van bepaalde andere met ernstige en dringende problemen geconfronteerde gewesten te beoordelen en te versnellen, werd besloten tijdelijk tot verhoogde, selectieve overheidssteun over te gaan (Wet van 14 juli 1966). In 1991 stelde de industrie inclusief de bouwsector nog 24,8% van de beroepsbevolking tewerk; de bijdrage tot het bruto nationaal product bedroeg amper 30%. In een kwart eeuw verloor deze sector 20 procentpunt van de tewerkstelling en 7% van zijn aandeel in de bruto toegevoegde waarde. In 1999 kreeg de voedingssector een klap door de dioxinecrisis.

4.9 Handel

De binnenlandse handel kende sedert 1960 een verdere inkrimping van het aantal kleinhandelszaken zonder personeel. Volgens de volkstelling van 1991 waren nog 577 865 (of 15,8%) personen tewerkgesteld in de handel. Tussen 1971 en 1980 verminderde het aantal handelsvestigingen met bijna 15 000. Opmerkelijk is de toename van het aantal handelszaken tussen 1980 en 1988. Het aantal vestigingen in groot- en kleinhandel steeg van 173 817 naar 196 877. Hiervan werkten ca. 143 400 vestigingen zonder personeel.

De buitenlandse handel van België moet worden beschouwd in het licht van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU). De Belgische economie is een open economie, waarin de welvaart zeer afhankelijk is van de buitenlandse handel. Binnen de EG-landen heeft België, na Luxemburg, de grootste afhankelijkheidscoëfficiënt. In 1987 bedroeg de waarde van de invoer van goederen en diensten 35,8% van de beschikbare middelen. De afhankelijkheidscoëfficiënt van de uitvoer bedroeg 37,3%. Sedert de jaren zestig kende de buitenlandse handel een belangrijke expansie en in 1985 overtrof de uitvoer van goederen voor het eerst de 3000 miljard frank. In de eerste negen maanden van 1998 bedroeg de invoer 4416 miljard frank (+6,9% tegenover 1997) en de uitvoer 4878 miljard frank (+7,2%). In 1999 eiste de dioxinecrisis zijn tol; de waarde van de uitvoer van landbouw- en voedingsproducten daalde met 32,6 miljard frank tot 510 miljard frank. Lange tijd was Nederland de belangrijkste afnemer van Belgische producten. Sinds de jaren zeventig komt dit land na Duitsland en Frankrijk. Daarna komen het Verenigd Konigkrijk en Italië. De in- en uitvoer hebben voor 68% betrekking op de landen van de Europese Unie. De Belgische uitvoer is zeer ongelijk verdeeld over de regio's: Vlaanderen neemt daarvan 67%, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 19% en Wallonië slechts 14% voor zijn rekening. In de regionale omzet van de regio's is de uitvoer voor Vlaanderen 42%, voor Brussel 38% en Wallonië 30%.

4.10 Bankwezen

Zie voor de geschiedenis en de recente ontwikkelingen van het bankwezen bank [economie].

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum