Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 6 van 11

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

4.1 Arbeidsmarkt

De totale Belgische beroepsbevolking bedraagt 4 498 422 (2005 reëel) personen. Sedert 1961 steeg de beroepsbevolking met bijna 700 000 eenheden. Dit is uitsluitend te danken aan de toename van de beroepsactiviteit van vrouwen. In 1991 oefende 35,4% van de vrouwen een beroep uit, tegen 20% bij het begin van de jaren zestig. Bij de mannen daalde de activiteitsgraad in dezelfde periode van 57,4% naar 49,5%. De werkgelegenheidscoëfficiënt bedroeg voor geheel België 79,46%; voor het Vlaams Gewest was die 75,75%, voor het Waals Gewest 66,16% en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 153,12%.

Kenmerkend voor de Belgische arbeidsmarkt zijn ook de belangrijke verschuivingen per sector. Volgens de drie-sectorenanalyse van C. Clark (thans uitgebreid tot vier) wordt de evolutie in een groeiende maatschappij gekenmerkt door een overgang van de primaire (landbouw) naar de secundaire (industrie) en naar de tertiaire sector (diensten). Sinds een paar decennia werd hieraan de quartaire sector toegevoegd. Deze bevat grosso modo de niet-commerciële dienstverlening.

Op de Belgische arbeidsmarkt verloren de primaire (landbouw, visvangst, mijnbouw) en de secundaire sector (industrie) duidelijk aan belang ten voordele van de dienstverlenende activiteiten (met inbegrip van de niet-commerciële of quartaire sector).

Ramingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tonen aan dat tussen 1974 en 1983 bijna 200 000 binnenlandse arbeidsplaatsen in België verloren gingen. Sedertdien deed zich een lichte heropleving voor, maar in 1987 omvatte de binnenlandse tewerkstelling nog 122 000 arbeidsplaatsen minder dan in 1974. Voor de privé sector was dit verlies nog groter, maar daarentegen groeide de tewerkstelling in de overheidssector. Tussen 1987 en 2000 groeide de werkgelegenheid weer met ca. 250 000 arbeidsplaatsen. Dit was het saldo van uiteenlopende bewegingen: voor meer dan de helft door de ontwikkeling van de werkgelegenheid en voor een ander deel door arbeidsherverdeling (vooral uitbreiding van deeltijdwerk). De Belgische arbeidsmarkt wordt daarenboven gekenmerkt door een groeiend aandeel van de loon- en weddetrekkenden in de totale beroepsbevolking. In 1961 vertegenwoordigden de categorieën zelfstandigen en helpers 23% van de beroepsbevolking, in 1999 was dit nog slechts 15%, en dit ondanks een bijna verdubbeling van het aantal in vrije beroepen werkzame personen (in 1995 120 695).

Belangrijk zijn ook de geografische verschuivingen. Het Vlaams Gewest heeft de sterkste expansie gekend en werd ook minder getroffen door de economische recessie. De provincies met een belangrijke werkgelegenheid in de zware nijverheid (Henegouwen en Luik) hebben de grootste moeilijkheden gekend. Ook traden verschuivingen op in de verhouding tussen het aantal arbeiders en bedienden. In 1995 waren er 1 123 096 arbeiders (-12,4%), 1 008 979 bedienden (+ 20,1%) en 1 008 935 personen in overheidsdienst (+16,4%).

Hoewel de werkloosheid in België al sedert 1964 toenam, verergerde de situatie vooral sinds 1974. In 1974 telde België 104 720 volledig werklozen. Tien jaar later was dit gestegen tot 512 400. Pas sinds 1985 trad een lichte verbetering op. In percentage van de tegen werkloosheid verzekerden steeg de werkloosheidsgraad van 5,9% in 1960 tot 19,5% in 1987. In de tweede helft van de jaren tachtig ging het beter met de economie en daalde de werkloosheid geleidelijk naar 350 000 in 1990. Ondanks vele banenplannen die door federale en gewestelijke overheid werden gelanceerd, ging het aantal werklozen echter weer stijgen tot ruim 500 000. In 2000 was (definitie Internationale Arbeidsorganisatie) 7% van de beroepsbevolking werkloos. In 2002 steeg de werkloosheid opnieuw met 11% ten gevolge van de internationale economische crisis. Meer dan 6600 bedrijven zetten hun activiteiten stop. Door de sluitingen en saneringen kwam het aantal werklozen op 389.000, 11,7% van de beroepsbevolking. Als rekening wordt gehouden met de niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en hen die werden opgevangen door diverse maatregelen van werkloosheidsbestrijding, bedroeg het totale aantal personen met een (aanvullende of volledige) werkloosheidsuitkering bijna een miljoen. De werkloosheid bij de vrouwen bedroeg ongeveer het dubbele van die bij de mannen. Bovendien is de werkloosheid in België vooral een structureel probleem. Sedert de jaren tachtig bedroeg het aantal personen dat ten minste twee jaar werkloos was, meer dan de helft van het totaal van de volledig werklozen; vooral jongere arbeidskrachten hadden het moeilijk om een baan te vinden.

4.2 Land- en tuinbouw

De betekenis van de land- en tuinbouw is sterk geslonken. In 1991 waren in deze sector 31 544 personen tewerkgesteld. Door mechanisering, inkrimping van de cultuurgrond en inkomensdruk heeft de land- en tuinbouw een belangrijk verlies aan arbeidsplaatsen gekend. Bovendien wordt deze sector gekenmerkt door schaalvergroting en specialisering. Tussen 1970 en 1987 is het aantal landbouwbedrijven nagenoeg gehalveerd, terwijl de gemiddelde oppervlakte per bedrijf met bijna 75% steeg. In 1991 telde België nog 78 516 bedrijven met een gemiddelde oppervlakte van 14,6 ha. Meer dan 95% van de Belgische cultuurgrond wordt gebruikt voor akkerbouw, weiden en grasland. Niettegenstaande de daling van het aantal bedrijven is de veestapel toegenomen, hoofdzakelijk door de sterke toename van de varkensfokkerij (ruim 7 miljoen stuks), die vooral in West-Vlaanderen en de Noorderkempen is gelokaliseerd. De dioxinecrisis van 1999 trof de landbouw (en de gehele voedingssector) zwaar: de productie daalde met ca. 1,4%.

Sedert 1980 is de tuinbouw in open grond sterker toegenomen dan deze onder glas. Groenten nemen ongeveer de helft van de oppervlakte onder beschutting in beslag en de bloementeelt bijna 30%.

4.3 Bosbouw

Volgens de land- en bosbouwtelling van 1970 bedroeg de beboste oppervlakte in België 617 000 ha. De provincies Luxemburg (34%), Namen (20%) en Luik (17%) nemen bijna drievierde daarvan voor hun rekening. Ca. 2950 personen waren in deze sector werkzaam. De jaarlijkse houtproductie schommelt rond 1 miljoen m3, waarvan tweederde naaldhout.

4.4 Visserij

Alleen de zeevisserij bezit commerciële betekenis: garnalenvangst langs de kust, oesterkweek te Oostende en Nieuwpoort en visserij in de Noordzee, de IJslandse en Newfoundlandse wateren.

In de jaren zestig stagneerde de Belgische visvangst op bijna 50 000 t per jaar. Sindsdien is de visvangst achteruitgegaan; in 1986 en 1987 bedroeg de geloste hoeveelheid nog amper 30 000 ton, in 1993 nog slechts 22 119 ton, een en ander onder invloed van de Europese visquota. Onder invloed van de inflatie is de waarde evenwel sterk gestegen. De belangrijkste van de aangevoerde vissoorten zijn schol, kabeljauw en tong. In waarde uitgedrukt komt tong op de eerste plaats. Zeebrugge is zowel in volume als in waarde de eerste vissershaven.

4.5 Mijnbouw

De steenkoolwinning heeft in België alle betekenis verloren. Het Zuiderbekken werd tussen 1968 en 1984 geleidelijk gesloten en in het Noorderbekken (Kempen) werd de productie in de oostelijke mijnen in 1988 stopgezet; de volledige sluiting had plaats in 1992. In 1988 bedroeg de Belgische steenkoolproductie nog 2,6 miljoen t tegenover 11,4 miljoen t in 1970. De achteruitgang in de Belgische steenkoolproductie is niet alleen toe te schrijven aan de verandering in de energiebalans (concurrentie van aardolie, -gas en nucleaire energie), maar vooral aan de ongunstige exploitatievoorwaarden. De dure subsidiepolitiek van de overheid diende geleidelijk ingekrompen en heeft de sociale nadelen van de afbouw van de tewerkstelling in de mijngebieden weliswaar kunnen lenigen zonder evenwel voldoende omschakelingsactiviteiten uit te bouwen.

De ertsontginning (ijzer, zink, lood en koper), die nochtans aan de basis lag van het ontstaan van de Belgische metaalindustrie, heeft haar betekenis geheel verloren. In 1976 bedroeg de eigen ijzerertswinning (in Belgisch Lotharingen) slechts 94 000 t (0,5% van het totale Belgische ertsverbruik). De winning van gesteenten is heel wat belangrijker dan de ontginning van ertsen. Porfier, een eruptief gesteente, wordt gewonnen te Quenast en Bierk; kwartsiet uit het Cambrium te Dongelberg en harde zandsteen uit het Devoon o.a. te Comblain-au-Pont, Esneux en Sprimont. In een brede strook van Alle tot Martelange wordt uit het Devoon, zoals eveneens te Vielsalm uit het Cambrium, harde leisteen voor dakbedekking ontgonnen. De ruim ontsloten kalksteenlagen van het Devoon en het Carboon leveren: a. arduin of blauwe hardsteen, o.a. te Ecaussinnes, Zinnik en Sprimont; b. verschillende marmersoorten, nl. ‘bleu belge’, o.a. te Bioul, Anhée, Bouffioulx en Merlemont, zwart marmer o.a. te Bossière, Mazy, Dinant en Basècles, rood marmer te Phillippeville, Frasnes, Rochefort, enz., grijs marmer o.a. te Villers-Poterie, Gougnies; c. kalksteen voor kalkovens en cementfabrieken o.a. te Doornik, Ecaussinnes, Zinnik, Antoing, Lustin, Hoei en Couvin. Krijt, vnl. verwerkt in de kalkovens en de cementnijverheid, wordt gewonnen o.a. te Harmignies, Obourg, Thieu, Wezet, Orp-le-Grand en Haccourt; zoals ook kalkfosfaat, waarvan de ontginning (o.a. te Bergen) aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan der superfosfatenindustrie. Klei en leem voor steenbakkerijen en pannenfabrieken worden op vele plaatsen uit de Tertiaire en Kwartaire afzettingen gedolven, nl. in de polders (Nieuwpoort), langs de Rupel en de Schelde (o.a. te Boom, Rupelmonde en Temse), in het Waasland (bijv. te Sint-Niklaas), langs het Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten (o.a. te Ravels en te Beerse) en bij Kortrijk; klei, geschikt voor aardewerk en vuurvast materiaal, wordt uit Secundaire en Tertiaire lagen gewonnen, o.a. te Andenne en te Baudour. Zand voor het bouwbedrijf komt in ruime mate voor. Het witzand van Mol (Kwartair) dient speciaal vermeld als grondstof voor de glasnijverheid. De tertiaire lagen te Mélin (een deelgemeente van Gelderaken) in het gehucht Gobertange, leveren, zoals in de late Middeleeuwen, nog steeds de gewaardeerde gobertange–witte zandsteen.

Vorige
| | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum