Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 4 van 11

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

3.2 Administratieve indeling

Het Belgische grondgebied, exclusief het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is ingedeeld in tien provincies. Deze zijn bevoegd voor de louter provinciale belangen en worden bestuurd door een rechtstreeks verkozen Provincieraad, die uit zijn midden een voorzitter en de leden van de Bestendige Deputatie aanwijst. De Gouverneur vertegenwoordigt de centrale regering en de regionale regering in de provincie. Op hun beurt zijn de provincies onderverdeeld in 43 bestuurlijke of administratieve arrondissementen, die geen autonomie en geen vertegenwoordigend orgaan hebben. Het aantal gemeenten is sinds 1965, en vooral in 1977, door samenvoeging sterk verminderd. België telt thans 589 gemeenten (tegen 2359 gemeenten vóór de fusie). Bestuursorganen van een gemeente zijn de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen, die beide worden voorgezeten door een door de Koning benoemde burgemeester. Door de samenvoegingsoperatie van 1977 is een bij de grondwetsherziening van 1970 in het leven geroepen nieuwe bestuurslaag, m.n. de agglomeraties en federaties van gemeenten, achterhaald. De in 1971 opgerichte randfederaties (Asse, Halle, Tervuren, Vilvoorde en Zaventem) werden in 1977 afgeschaft; de bevoegdheden van de agglomeratie Brussel worden sinds 1989 uitgeoefend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat ten aanzien van de 19 gemeenten van het gewest sinds 1995 tevens de provinciale bevoegdheden uitoefent.

3.3 Rechtswezen

De rechtspraak in burgerlijke en strafzaken geschiedt in de regel in de rechtbanken en hoven. Men onderscheidt gewone en buitengewone rechtbanken. De gewone rechtbanken zijn die waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt over alle zaken, voor zover die hun niet door een speciale wettekst onttrokken is. Het zijn de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep. De buitengewone rechtbanken zijn het vredegerecht, de politierechtbank, de rechtbank van koophandel, het arbeidsgerecht (met in graad van beroep het arbeidshof), de arrondissementsrechtbank, het hof van Assisen en de krijgsraad (met in graad van beroep het Militair Gerechtshof). Boven de gewone en buitengewone rechtbanken staat het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof doet uitspraak over bevoegdheidsconflicten tussen de federale overheid, gemeenschappen en gewesten en fungeert (voor bepaalde materies) tevens als grondwettelijk hof. De rechtspraak wordt in het algemeen uitgeoefend door rechtsgeleerden. In een deel van de strafzaken, met name die voor de hoven van Assisen, is zij echter in handen van leken. In de rechtbanken van koophandel en in de arbeidsrechtbanken zetelen eveneens leken als rechter. In burgerlijke geschillen is de rechtspraak geen staatsmonopolie (zie arbitrage [privaatrecht]), in strafzaken is zij dat wel. Talrijke administratieve rechtscolleges putten uit art. 145 van de Grondwet de bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen over subjectieve rechten die geen burgerlijke rechten zijn. Onder die rechtscolleges neemt de afdeling administratie van de Raad van State de belangrijkste plaats in.

De Belgische wetgeving is neergelegd in een groot aantal wetten. De belangrijkste verzamelingen van wetteksten zijn het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel (zie handelsrecht), het Gerechtelijk Wetboek, het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering. In de nasleep van de affaire-Dutroux, waarbij o.a. het disfunctioneren van de justitie aan het licht kwam, werd op 23 mei 1998 het zgn. Octopusakkoord gesloten, dat voorzag in maatregelen voor een hervorming en depolitisering van het gerecht. Zie voorts rechterlijke macht.

3.4 Internationale aansluitingen

België is aangesloten bij een groot aantal internationale instellingen. De belangrijkste daarvan zijn op wereldvlak de Organisatie van de Verenigde Naties en haar gespecialiseerde organisaties en commissies, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Ook is België lid van de Europese Unie (EU), de Europese Munt Unie (EMU), de Raad van Europa en de Benelux.

3.5 Openbare financiën

De verrichtingen van de openbare financiën van de centrale overheid worden sinds 1975 op een jaarlijkse eenheidsbegroting geregistreerd. Voordien was het stelsel van de dubbele begroting (de lopende verrichtingen op de gewone en investeringsuitgaven op de buitengewone begroting) in gebruik. Wel wordt nog een onderscheid gemaakt tussen de rekening voor de lopende uitgaven en voor de kapitaaluitgaven. De regelen van de overheidsboekhouding werden voor het eerst wettelijk vastgelegd door de Wet van 25 mei 1846. De controle op de wettelijkheid van de verrichtingen geschiedt door het Rekenhof. Bij de financiële administratie van de verschillende ministeriële departementen spelen de inspecteurs van financiën een belangrijke rol.

Als gevolg van o.m. de toenemende overheidsinterventie (vnl. in de economische en sociale sector), de economische groei, de inflatie, de pacificatiepolitiek met haar dure compromissen en de aangroei van het ambtenarenkorps, namen de overheidsuitgaven na de Tweede Wereldoorlog sterk toe. Vanaf 1950 gaf de overheid meer geld uit dan zij door belastingen ontving. Vooral geldverslindende compromissen en de zogenaamde wafelijzerpolitiek waarmee tijdens de jaren 1960 en 1970 de vrede tussen de verschillende ideologische groepen, taalgemeenschappen en gewesten werd afgekocht (o.a. het schoolpact, investeringen in de haven van Zeebrugge en infrastructuurwerken in Wallonië, en overheidssteun aan de Limburgse steenkool, het Waalse staal en de Vlaamse textiel) deden het financieringstekort jaar na jaar stijgen. Om dat alles te betalen had de centrale overheid veel geld geleend en de almaar stijgende rentelasten (zeer hoge rentevoeten tot 1986) op deze leningen, met hun zgn. sneeuwbaleffect, bleven diep in de staatskas graven. Omdat de ontvangsten geen gelijke tred hielden met de uitgaven is, vooral in de jaren tachtig, de rijksschuld spectaculair gestegen: van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F begin 1989 en 9805,9 miljard F in het ‘recordjaar’ 1997. De rentelasten op de rijksschuld slorpten jarenlang, ook nog in 2002, meer dan een kwart van de uitgavenbegroting op. In de jaren zeventig werd bovendien op grote schaal naar de techniek van de debudgettering gegrepen, d.w.z. dat door openbare instellingen leningen werden aangegaan om uitgaven te financieren die normaal rechtstreeks ten laste van de begroting vallen, zoals de aanleg van autowegen, staatstoelagen voor gemeentewerken en woningbouw- en aankooppremies.

Om het begrotingstekort, dat in het ‘recordjaar’ 1982 was opgelopen tot 13% van het bruto binnenlands product (bbp), in te dijken, werd vanaf dat jaar een streng saneringsbeleid gevoerd. In 1990 was het financieringstekort gedaald tot 5,5% van het bbp, maar het begon nadien opnieuw te stijgen (7,3% in 1993). Om, met het oog op de toetreding van België tot de Europese Muntunie, tekort tegen 1997 terug te dringen tot 3% van het bbp, zoals het Verdrag van Maastricht oplegde, namen de opeenvolgende kabinetten-Dehaene I (1992-1995) en -Dehaene II (1995-1999) harde maatregelen (belastingverhogingen, besparingen op de departementale uitgaven en in de sociale zekerheid, verkoop van overheidsparticipaties). Eind 1997 was het financieringstekort gedaald tot 1,9% van het bbp. Hoewel de totale overheidsschuld beduidend boven de Maastrichtnorm (60% van het bbp) bleef, vond de Europese Commissie de stelselmatige daling (van 138,8% in 1993 tot 125,4% in 1997) voldoende om België in mei 1998 een ‘toegangsticket’ tot de Europese Muntunie te geven. Door het volgehouden saneringsbeleid en de gunstige economische conjunctuur had het in juli 1999 aangetreden ‘paarsgroene’ kabinet-Verhofstadt weer budgettaire ruimte om nieuwe beleidsinitiatieven te nemen, de laagste sociale uitkeringen te verhogen en de personenbelasting, gespreid over de periode 2001-2004, te verlagen. De overheidsschuld was eind 2001 gedaald tot 105,8% en in 2002 gedaald tot 106,1% van het bbp. De regering blijft voornemens om de politiek van schuldafbouw voort te zetten en in 2004 onder de psychologische grens van 100% te zakken.

Sinds de federalisering van het land staat de centrale overheid daarbij voor de bijkomende moeilijkheid dat haar ‘besparingsruimte’ gekrompen is, omdat zij enerzijds ca. 45% van haar ontvangsten heeft overgedragen aan de gewesten en de gemeenschappen, en omdat anderzijds, na de overheveling van nieuwe bevoegdheden aan de deelgebieden, haar ‘samendrukbare’ uitgaven beperkt zijn tot landsverdediging, de sociale zekerheid en de administratie. De Bijzondere Wet van 16 januari 1989, die de financiering van de deelgebieden regelt, voorzag in de deelneming, in de periode 1989–2000, van de gewesten aan de vermindering van de rijksschuld.

3.6 Defensie

Het Belgisch leger werd opgericht in 1830 met vrijwilligers en lotelingen. In 1909 werd de loting afgeschaft en vervangen door de persoonlijke dienstplicht. Bij de Wet van 30 augustus 1913 werd de dienstplicht algemeen. Sinds 1963 konden gewetensbezwaarden burgerdienst vervullen. In 1994 werd de dienstplicht opgeschort. De militaire samenwerking binnen de NATO is de hoeksteen van het defensiebeleid. De vier machten waaruit de krijgsmacht traditioneel bestond: de landmacht, de luchtmacht, de zeemacht en de medische dienst, die ieder hun eigen staf hadden, werden begin 2002 als operationele ‘componenten’ van de krijgsmacht onder één generale staf geïntegreerd. De maatregel paste in een strategisch plan, dat België tegen 2015 een kleiner (39.500 militairen en burgers in plaats van 44.500), mobiel, snel inzetbaar en goed uitgerust leger moet geven.

Vorige
| | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum