![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 11
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Staatsinrichting en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
De aanwezigheid van twee grote taalgemeenschappen (de Nederlandse en de Franse) en, in mindere mate, van de kleinere Duitse taalgemeenschap, ligt aan de oorsprong van de zgn. taalkwestie, een van de grootste problemen van het Belgische openbare leven. Het basisprincipe van het taalgebruik vormt het in 1831 in de Grondwet (het oude art. 23, thans art. 30) ingeschreven beginsel dat het gebruik van de in België gesproken talen vrij is en dat het slechts voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken bij wet kan worden geregeld. De taalwetgeving, waarvan de Wet van 17 augustus 1873 de aanzet vormde, heeft in een eerste fase het Nederlands als een evenwaardige administratieve, militaire, juridische en onderwijstaal erkend als het Frans, dat bij en tientallen jaren na de oprichting van de Belgische staat in feite de enige officiële taal was. In een tweede fase schreef de taalwetgeving het beginsel van de eentaligheid van het Nederlandse en het Franse taalgebied en van de tweetaligheid van de Brusselse agglomeratie voor (het zgn. territorialiteitsbeginsel, voor het eerst geformuleerd in de Wet van 31 juli 1921). Krachtens dit beginsel is in het Nederlandse en het Franse taalgebied het Nederlands resp. het Frans de enige toegelaten taal in de administratie, het gerecht en het onderwijs. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staan het Nederlands en het Frans als officiële taal op voet van volledige gelijkheid. In 1963 werd ook het Duitstalige gebied wettelijk erkend en trad de Wet van 8 november 1962, die de taalgrens afbakent, in voege. Bij de grondwetsherziening van 1970 werd het bestaan van vier taalgebieden – het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad – in de Grondwet (het oude art. 3bis, thans art. 4) ingeschreven. Op de eentaligheid van het Nederlandse, Franse en Duitse taalgebied bestaan evenwel uitzonderingen. In een aantal gemeenten van de eerstgenoemde twee gebieden kunnen anderstaligen genieten van zgn. faciliteiten (zie faciliteitengemeenten), in het Duitse taalgebied mag ook het Frans als administratieve en onderwijstaal worden gebruikt. Met de erkenning van de taalgebieden werd een grondwettelijke basis gegeven aan het territorialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk de overheid al haar handelingen in de taal van het taalgebied dient te verrichten. In een reeks arresten heeft de Raad van State uit art. 4 van de Grondwet afgeleid dat de gemeentemandatarissen, ook die van de zgn. faciliteitengemeenten, de taal van het gebied moeten kennen. De wetgever heeft ten aanzien van de rechtstreeks verkozen mandatarissen (de gemeenteraadsleden en in de zes randgemeenten rond Brussel, Voeren en Komen-Waasten ook de OCMW-raadsleden en de schepenen) een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis ingevoerd (Wet van 9 augustus 1988).
In België wordt de vrijheid van godsdienst grondwettelijk gewaarborgd. Dit betekent niet dat alle godsdiensten over dezelfde voorrechten beschikken. Niet alle godsdienstige groeperingen zijn wettelijk erkend; enkele weigeren dergelijke erkenning, zoals bijv. Jehova's Getuigen en sommige fundamentalistische sekten. De wettelijke erkenning impliceert o.a. de bezoldiging van de bedienaars van de eredienst. Dit is het geval voor de katholieke, protestantse, anglicaanse, joodse en (sinds 1974) islamitische godsdienst. België is, wanneer men althans het doopsel in aanmerking neemt, een overwegend katholiek land. Het aantal katholiek gedoopten bedroeg in 2000 nog 70% van de totale Belgische bevolking. Het aantal protestanten wordt op ruim 60 000 geraamd. Volgens schatting vertoeven er in België ca. 300 000 islamieten en zou het aantal joden ca. 50 000 bedragen. Naast de wettelijk erkende godsdiensten bestaat een orthodoxe gemeenschap, met overwegend Russen en Grieken. Voorts zijn er de zeer missionair ingestelde mormonen, met lokale gemeenschappen o.a. te Antwerpen en Gent en een bisschopszetel te Brussel. De weinig bekende Belgische boeddhisten (enkele duizenden) hebben hun eigen huis te Brussel. De bekendste van deze zgn. godsdiensten in de schaduw zijn Jehova's Getuigen, met ca. 20 000 verkondigers. In de katholieke kerkelijke organisatie vormt België een kerkprovincie, die (sedert 1967) acht bisdommen omvat: Mechelen-Brussel (aartsbisdom), Antwerpen, Luik, Hasselt, Namen, Gent, Doornik en Brugge. Opvallend bij de katholieken is de discrepantie tussen het aantal gedoopten en het aantal praktiserende katholieken, welk laatste nog maar een goede 10% bedroeg, tegen ca. 50% in 1950. Bij degenen die nog in een zekere mate bij het kerkelijke leven betrokken zijn, onderscheidt men de zgn. progressieve en de conservatieve katholieken. Naast de ca. 10% kerkse katholieken zijn er vermoedelijk 65% onkerkse katholieken en 3 à 5% niet-katholieke christenen, joden, islamieten en leden van kleine godsdienstige groeperingen; ca. 20% van de Belgen is vrijzinnig of godsdienstig onverschillig. Bij de protestanten vindt de verscheidenheid een uitdrukking in enkele denominaties en sekten. De protestanten zijn in diverse kerkverbanden gegroepeerd, waarvan de belangrijkste zijn: de Protestantse Kerk van België (PKB; 16 000 leden), de Hervormde Kerk van België (HKB; 10 000 leden, overwegend in het Franstalige landsdeel) en de Gereformeerde Kerken in België (GKB; 2000 leden, vooral in het Nederlandstalige landsdeel). Sinds 1978 zijn deze kerken gegroepeerd in de Verenigde Protestantse Kerken van België. De Belgische Evangelische Zending (BEZ) werd sinds 1972 geleidelijk gestructureerd in een Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (VEG). De BEZ-VEG is van baptistische signatuur en telt ca. 5000 leden (waarvan minder dan de helft Nederlandstaligen). Andere protestantse groeperingen zijn de Pinkstergemeenten (ca. 5000 leden), de Vergadering van Gelovigen, de Vergadering der Broeders, de Bond van Evangelische Baptistenkerken van België en het Leger des Heils (ieder ca. 1500 leden). Kleinere groeperingen zijn de Vrije Lutherse Kerk en de Mennonieten Zending. Bij de joden zijn drie geïnstitutionaliseerde vormen van religieuze groepsvorming te onderscheiden: orthodoxen, conservatieven en gereformeerden. In België komen deze drie vormen voor, maar de gereformeerde gemeente L’Union Libérale Israélite de Belgique werd niet erkend door het Centraal Israëlitisch Consistorie (CIC). Hoewel in Antwerpen minder joden wonen dan in Brussel (resp. 13 000 en 18 000) is de joodse gemeenschap van Antwerpen (grotendeels van Poolse afkomst) de bekendste. Dit komt o.a. doordat zij te Antwerpen meer geconcentreerd woont, verder omdat 80% van de joden hier bij een godsdienstige gemeente is aangesloten (tegen slechts 40% elders) en omdat de joodse gemeenschap in Antwerpen sterker haar eigenheid manifesteert. In Antwerpen zijn er twee grote gemeenten: de orthodoxe Machsike Hadass, die nauw verwant is met de ultraorthodoxie van de Chassidiem (een mystiek-charismatische gemeenschap met specifieke klederdracht), welke er in groot getal deel van uitmaakt, en de conservatieve Shomer Hadass. Daarnaast is er ook nog een kleine gemeente van Portugese ritus. De aanwezigheid van islamieten in België (vnl. Marokkanen en Turken, in mindere mate Tunesiërs en Algerijnen) houdt verband met de immigratie van buitenlandse arbeidskrachten sedert de Tweede Wereldoorlog; zij behoren tot verschillende strekkingen. Het in 1963 opgerichte Centre Islamique et Culturel bezit sedert 1968 rechtspersoonlijkheid. In 1974 werd de islam wettelijk erkend.
België is een representatieve en parlementaire monarchie, waarin alle machten van de natie uitgaan (art. 33 Grondwet). De opeenvolgende grondwetswijzigingen in de periode 1970–1993 en een aantal bijzondere en gewone wetten betreffende de institutionele hervormingen hebben België omgebouwd van een gedecentraliseerde eenheidsstaat tot een federale staat waarin de soevereiniteit wordt gedeeld door de centrale staat (federatie) enerzijds en de gewesten en de gemeenschappen anderzijds.
Op het centrale of federale niveau wordt de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door de Koning (in de praktijk de regering) en door de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, die, volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging en bij toepassing van het enkelvoudig, algemeen en verplicht kiesrecht, verkozen worden door mannen en vrouwen van Belgische nationaliteit, die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben (zie ook kiesstelsel). De federale wetgever is bevoegd voor alle aangelegenheden die de Grondwet hem uitdrukkelijk toekent, alsook voor de aangelegenheden die de Grondwet of een krachtens de Grondwet genomen wet niet uitdrukkelijk aan de andere federale machten of aan de gemeenschappen en de gewesten toewijst. De federale uitvoerende macht berust bij de Koning (art. 36 Grondwet), maar uit de grondwettelijke regel dat geen akte van de Koning gevolg kan hebben wanneer zij niet medeondertekend is door een minister (art. 106), volgt dat het begrip ‘koning’ betrekking heeft op zowel de persoon van de niet-verantwoordelijke Koning als die van de verantwoordelijke minister(s) of staatssecretaris(sen). De persoon van de Koning is onschendbaar. Hij kan niet voor het gerecht worden gedaagd, noch in strafzaken, noch in burgerlijke zaken. Op het politieke vlak is alleen de minister verantwoordelijk. De Koning benoemt en ontslaat (op voorstel van de meerderheidspartijen) de ministers en de staatssecretarissen, die samen met hem de regering vormen. De regering beschikt over door de Grondwet of de wet toegewezen bevoegdheden: zij neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, heeft een zelfstandige verordenende bevoegdheid, benoemt de ambtenaren van het centrale rijksbestuur en de rechters, voert het defensie- en buitenlands beleid, slaat de munt, heeft het genaderecht en verleent adeldom. De ministerraad (waarvan de staatssecretarissen geen deel uitmaken) telt maximaal 15 leden, wordt geleid door de eerste-minister en is sinds 1970 taalkundig paritair samengesteld. De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de gewone hoven en rechtbanken (art. 40 Grondwet). Daarnaast zijn er ‘met eigenlijke rechtspraak belaste organen’ (art. 146 Grondwet) die geschillen over politieke rechten beslechten, zoals de Raad van State.
Ingevolge de grondwetsherzieningen van 1970, 1980, 1988 en 1993 deelt de centrale Staat een steeds groter deel van de soevereiniteit met de gewesten en de gemeenschappen. België telt drie gewesten: het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met een eigen territorium , een eigen rechtstreeks verkozen parlement en een eigen regering, en eigen, toegewezen bevoegdheden. De belangrijkste gewestbevoegdheden zijn: economisch beleid, buitenlandse handel, landbouw, tewerkstelling, ruimtelijke ordening, leefmilieu, natuurbehoud, huisvesting, openbare werken, vervoer (behalve de spoorwegen), de organisatie van het lokale bestuur. De bevoegdheden van het Vlaams Gewest worden uitgeoefend door de Vlaamse Gemeenschap, zodat die feitelijk (maar niet juridisch) gefuseerd zijn. Er zijn ook drie gemeenschappen: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap, die bevoegd zijn voor resp. het Nederlandse taalgebied en de Nederlandstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Franse taalgebied en de Franstaligen in Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en het Duitse taalgebied. Zij hebben elk een parlement en een regering. De toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen zijn in hoofdzaak het onderwijsbeleid, het cultuurbeleid en de zgn. persoonsgebonden aangelegenheden (welzijns- en gezondheidsbeleid). Zie ook Gemeenschap.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |