Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 2 van 11

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

1.4 Klimaat

België heeft een gematigd zeeklimaat. Wel treden van streek tot streek aanzienlijke verschillen op. Op basis van het verschil tussen de gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand van het jaar kan men drie klimaattypes onderscheiden: 1. Het maritiem klimaat komt hoofdzakelijk voor aan de kust en licht landinwaarts. Door de matigende invloed van de Noordzee is het gemiddelde temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste maand in deze streek dan ook het kleinst, nl. 13,9 °C (het verschil tussen 16,9 °C in de zomer en 3 °C in de winter); 2. het gewijzigd maritiem klimaat heerst in Midden-België en de Kempen. Door de grotere afstand tot de zee is het gemiddelde temperatuurverschil hier iets groter, wat is toe te schrijven aan de snellere afkoeling 's nachts en de vluggere opwarming overdag. Het bedraagt 14,7 °C (het verschil tussen de gemiddelde temperatuur voor juli: 17,2 °C, en die voor januari: 2,5 °C); 3. het gewijzigd continentaal klimaat komt voor in het bergachtige gebied ten oosten van Samber en Maas. Hier is de invloed van de zee het geringst en is de gemiddelde jaaramplitudo dan ook het grootst, nl. 15,5 °C (het verschil tussen 15,1 °C voor juli en –0,4 °C voor januari). Het feit dat het zomermaximum niet meer bedraagt, ondanks de meer continentale invloed, is te wijten aan de hogere ligging van het terrein.

De vier meest voorkomende atmosferische toestanden boven België zijn: 1. regenachtig en vrij zacht weer tijdens de winter: de Atlantische storingen bewegen zich tussen de subtropische anticycloon van de Azoren en de depressie nabij IJsland en trekken over West-Europa; 2. mooi maar koud weer tijdens de winter: onder de invloed van een uitloper van de continentale anticycloon stroomt koude en droge continentale lucht België binnen; 3. regenachtig en vrij fris weer tijdens de zomer: regengebieden worden langs de noordelijke flank van het Azoren-hogedrukgebied naar West-Europa gestuurd; 4. mooi en warm weer tijdens de zomer: de anticycloon boven Scandinavië en Centraal-Europa voert droge en zeer warme continentale lucht aan. Lagedrukkernen die boven de Golf van Biskaje en Frankrijk tot ontwikkeling komen, stellen vaak met felle onweersbuien een einde aan dit weertype.

De normale gemiddelde luchtdruk op zeeniveau bedraagt te Ukkel 1016,1 mbar. De uiterste afwijkingen kunnen maximaal 33 mbar hoger en 50 mbar lager dan de normale waarde liggen. De windsnelheid wordt in sterke mate bepaald door de afstand tot de zee.

De jaarlijkse gemiddelde temperatuur schommelt tussen ongeveer 10 °C in Laag-België en nagenoeg 6 °C in de Hoge Venen. Juli en augustus zijn gemiddeld de warmste en januari en februari de koudste maanden.

De gemiddelde jaarlijkse neerslag schommelt tussen 1400 mm (liter/m2) plaatselijk in Hoog-België en ongeveer 800 mm aan de kust en in Midden-België. De grootste hoeveelheden vallen in Laag- en Midden-België tijdens juli en augustus (onweersbuien) en in Hoog-België tijdens november en december (stijgingsregens bij Atlantische storingen). Het gemiddelde aantal dagen met meetbare neerslag (ten minste 0,1 mm) bedraagt tweehonderd per jaar. Het aantal onweersdagen schommelt jaarlijks tussen 75 en 90. De maximale dikte van de sneeuwlaag die gemiddeld in één winter op twee bereikt of overtroffen wordt, neemt toe met de hoogte. Zij varieert gemiddeld van 6 cm aan de kust tot meer dan 30 cm op de Ardense hoogvlakten.

1.5 Plantengroei

Op zijn kleine oppervlakte vertoont België een betrekkelijk rijke flora: een 1300 soorten vaatplanten, een zelfs groter aantal wieren, het ongeveer viervoudige aantal zwammen en korstmossen en ongeveer het halve aantal lever- en bladmossen. Deze relatieve rijkdom spruit voort uit het feit dat verscheidene grote floristische stromingen elkaar in België ontmoeten. De Atlantische flora en de Midden-Europese flora leverden zeer vele elementen. Enkele van de meest noordelijke vertegenwoordigers van de submediterrane flora bereikten België, bijv. de spekwortel, het Apennijns zonneroosje (Helianthemum apenninum), het palmboompje, de wollige sneeuwbal (Viburnum lantana). Verscheidene submontane planten, waaronder grassen als het bergbeemdgras (Poa chaixii) en het boszwenkgras (Festuca altissima) en voorts de kransbladsalomonszegel, de witte veldbies (Luzula luzuloides) en het peperboompje, komen in de hoogste delen van België voor. Onder de soorten vaatplanten komt een 400-tal bijna overal voor en enkele tientallen zijn echte ubiquisten (overal voorkomend), o.a. de grote brandnetel, het herderstasje en het straatgras.

Districten en subdistricten. Het zeedistrict omvat de duinen en de erachter gelegen zeepolders. De slikken en schorren hebben een uitgesproken halofytenvegetatie. Duinvorming begint rondom plantjes van biestarwegras en gaat verder, vnl. dankzij de helm. Deze jonge, beweeglijke, kalkrijke duinen worden geleidelijk vastgelegd en begroeid met een duinstruweel, waarin de duindoorn de meest opvallende plantensoort is. De door dijken beschermde polders zijn nagenoeg volkomen in cultuur gebracht.

Het Vlaams-Kempens district omvat het westelijke deel van de Kempen en Zandig Vlaanderen, dit laatste een tot het eikenwoud van het West-Europese Atlantische gebied behorende laagvlakte. Natuurlijke, niet door de mens beïnvloede bossen zijn er niet in overgebleven. Het grootste deel van deze bossen werd reeds vanaf de vroege Middeleeuwen gerooid en in cultuur gebracht. In de Kempen, oorspronkelijk eveneens tot het eikenwoud behorende, verdwenen reeds vroeg grote oppervlakten bos, die in heide overgingen. Tot ver in de 20ste eeuw besloeg deze heide een uitgebreide oppervlakte; een groot gedeelte is thans in cultuur gebracht, o.m. door het aanplanten van grove den en zeeden. Het subdistrict van het Kempens plateau, het oostelijke deel van de Kempen, omvat verscheidene ondiepe vennen in de streek van Genk met een nog rijke flora.

Het gehele Picardische-Brabantse district is bedekt met een laag löss. Het westelijke deel is een laagvlakte. Van de bossen, die tot het eiken-beukenbos met Atlantisch karakter behoren, bleef weinig over: veel eik is er door beuk vervangen (Zoniënwoud). Het zachtglooiende oostelijke deel is bijna volkomen cultuurland geworden. De enkele bospercelen behoren tot het Midden-Europese eiken-haagbeukenbos. In de subdistricten Tussen-Samber-en-Maas en Condroz van het Ardens district bereiken op de oude hoogvlakten talrijke submontane plantensoorten de Belgische flora; de Samber- en de Maasvallei vormen blijkbaar een barrière tegen meer noordelijke verspreiding. De Maasvallei zelf vertoont op de dalflanken, dankzij een betrekkelijk zacht klimaat, submediterrane plantensoorten: Apennijns zonneroosje, palmboompje. De leemgronden in deze streek zijn door culturen ingenomen. Indien de leemlaag te dun is of ontbreekt, kunnen óf zandsteen en schalie, óf kalksteen hun invloed op de flora en vegetatie laten gelden. Bossen van een sterk verschillend type kunnen op deze twee min of meer verweerde gesteenten tot ontwikkeling komen. Door degradatie van deze bossen zijn de floristisch zo rijke droge weiden ontstaan; de grassoorten zijn op de droogste plekken blauwgras, op minder dorre plaatsen bergdravik en gevinde kortsteel. Onder de akkeronkruiden van de vroeger in het oostelijke deel van de Kalkstreek veel verbouwde spelt kwam vroeger de Ardense dravik voor, de enige Belgische endemische plantensoort, voor het laatst in 1935 gesignaleerd. In het uiterste oosten (krijt) komen droge weiden voor, o.a. op de St.-Pietersberg, analoog met die op de harde kalksteen van Tussen-Samber-en-Maas.

Het district van de Hoge Ardennen omvat een aantal hoge plateaus met meestal zure bodems. Het wordt grotendeels door beukenbos ingenomen. Ook zijn grote oppervlakten met hoogstammige spar beplant. Een aantal submontane plantensoorten komt hier voor, zoals bergbeemdgras (Poa chaixii) en kransbladsalomonszegel. Kenmerkend zijn de uitgestrekte hoogvenen, waarin talrijke moeilijk te onderscheiden veenmossoorten, eenarig wollegras en rijsbes voorkomen.

Het Lotharings district heeft, dankzij zijn mild klimaat, verscheidene submediterrane plantensoorten. Er zijn uitgestrekte bossen uit beuk, haagbeuk en eik. Aan de bovenloop van de Semois komen karakteristieke alkalische moerassige gebieden met verscheidene soorten wollegras en zegge voor.

1.6 Dierenwereld

De groeiende verstedelijking, de vervuiling van de waterlopen, het uitblijven van een doelmatige regeling inzake natuurbescherming e.a. leiden tot een dubbel ongunstig gevolg. Enerzijds gaat een aantal diersoorten definitief verdwijnen, hetzij door moedwillige uitroeiing, hetzij als (mede)slachtoffers van een overmatige chemische bestrijding; anderzijds ontwikkelen sommige soorten zich door het ontbreken van hun natuurlijke vijanden tot ware plagen. Aldus zijn o.a. verdwenen: wolf, tuimelaar, raaf, steur en zalm. Op het punt te verdwijnen staan: wilde kat, otter, aalscholver, roerdomp, elrits, zeelt, enz., evenals verscheidene groepen lagere dieren. Wel hebben sommige interessante diersoorten zich kunnen handhaven in de Ardennen en in enkele min of meer gaaf gebleven natuurgebieden. Plagen komen periodiek en plaatselijk voor, o.a. van muskusrat en veldmuis, wespen en muggen.

Plaatselijk komen nog vrij algemeen voor het konijn, de haas en de eekhoorn, eikel-, rel- en hazelmuizen, ratten-, muizen- en woelmuizensoorten; de hamster vooral in Haspengouw. Mol, egel en een vijftal spitsmuizensoorten zijn algemeen verspreid, zo ook verscheidene van de ongeveer twintig voorkomende vleermuissoorten. Vos, hermelijn en steenmarter zijn zeldzaam, de bunzing algemener. Everzwijn en ree komen voor in de Kempen en meer nog in de Ardennen; aldaar ook het edelhert. Zeehonden leven voor de kust en bruinvissen spoelen geregeld aan.

De vogelfauna telt ongeveer 350 soorten, maar niet alle vogels zijn stand- of broedvogels; vele zijn slechts doortrekkers of dwaalgasten. De reptielen en amfibieën zijn minder sterk vertegenwoordigd. Hazelworm en enkele hagedissoorten zijn plaatselijk algemeen, een drietal slangensoorten zeldzamer. Naast een tiental padde- en kikkersoorten zijn salamanders algemeen in heel het land; bepaalde soorten zijn echter vrij strikt geografisch beperkt.

Van de ongeveer 150 vissoorten leven er ca. tweederde in zee en eenderde in zoetwater. De vormenrijkdom van de mariene ongewervelde fauna is aanzienlijk beperkt door de eenvormigheid van het kustgebied. Toch komen in de uiterste zuidwesthoek bij De Panne enkele meer zuidelijke schelpen voor, zoals bijv. het koffieboontje; op de havenhoofden en vooral op de pier te Zeebrugge o.a. het golfbrekeranemoontje en de zeeanjelier; in de spuikom te Oostende treft men een opmerkelijke vormenrijkdom aan, o.a. van Draadwormen, terwijl bijv. de zeeduizendpoot en het manteldier Botryllus er buitengewone afmetingen kunnen aannemen. Waar elementen van zoet en zout water elkaar ontmoeten, komen ook soorten voor die typisch zijn voor dit brakke gebied, zoals de steurgarnaal.

Duinen en heide herbergen hun eigen dierenwereld; in de Kempische vennen, in laagveen en hoogveen houden zich soorten op die kenmerkend zijn voor het zure milieu. In de grotten van de Kalkstreek leeft een bijzondere holenfauna en waar speciaal in Belgisch Lotharingen naar het zuiden gerichte hellingen een gunstig microklimaat vormen, handhaven zich zuidelijker vormen, zoals de bidsprinkhaan.

2. Bevolking

De Belgische bevolking draagt geen duidelijk omlijnde somatische kenmerken. De vermenging van het noordse en het alpiene type is sterk voortgeschreden. Oorspronkelijk stamt de bevolking van het noordelijke landsgedeelte af van Kelten en Germaanse volksstammen (Franken), die behoorden tot het noordse type, terwijl in het zuidelijke landsdeel de nazaten van de neolithische bevolking, behorende tot het alpiene type, zich gedeeltelijk konden handhaven. Daarnaast komen hoofdzakelijk in het noordelijke landsgedeelte plaatselijk vertegenwoordigers van het mediterrane type voor, nl. afstammelingen uit de Spaanse periode (16de–17de eeuw).

2.1 Samenstelling en spreiding

Op 1 januari 2002 telde België 10 275 000 inwoners. Bij de stichting, in 1830, waren er in België (huidige omvang) 3,8 miljoen inwoners en 100 jaar later was dat aantal ruim verdubbeld tot 8,1 miljoen. In de eerste volkstelling na de Tweede Wereldoorlog (1947) werden 8 512 190 inwoners geteld. Tussen deze volkstelling en die van 1961 groeide de bevolking met gemiddeld ongeveer 48 000 eenheden per jaar, tussen de telling van 1961 en 1971 was de groei opgelopen tot gemiddeld 51 000 eenheden per jaar. Daarna vertraagde de groei: tussen de tellingen van 1971 en 1981 groeide de bevolking gemiddeld met 19 770 eenheden per jaar (van 9,651 miljoen in 1971 naar 9,849 miljoen in 1981), tussen 1981 en 1991 met 17 300 eenheden per jaar (van 9,849 miljoen in 1981 naar 10,022 miljoen in 1991. In het daaropvolgende decennium (1991-2001) nam de groei weer toe tot gemiddeld 21 100 inwoners per jaar. Het geboortecijfer (het aantal geboorten per duizend inwoners) schommelde van 1947 tot 1964 (de periode van de ‘babyboom’) rond 17. Daarna daalde het scherp tot een eerste dieptepunt in 1975 (12, 15), waarna een korte heropleving volgde tot 12,66 in 1980. Na 1980 deden zich eerst een daling voor tot 11,57 in 1985, nadien een stijging tot 12,11 in 1988 en vervolgens weer een daling tot tot 11,10 in 2000.

Het netto–reproductiecijfer steeg tussen 1947 en 1964 van 1,089 tot 1,266. Nadien daalde dit onafgebroken: in 1972 kwam het onder de eenheid terecht en in 1985 bedroeg het 0,718. Sedertdien tekent zich een lichte stijging af, tot 0,753 in 1995. Bij de eeuwwisseling lag het cijfer rond 0,730 (deze situatie van langdurige lage vruchtbaarheid wordt ook ‘ontgroening’ genoemd). Een belangrijke verschuiving deed zich voor in de gemiddelde moederschapsleeftijd: rond 1950 was dit ongeveer 29 jaar. Mede door de afname van geboorten van rang 3 en hoger daalde de gemiddelde moederschapsleeftijd tot 27 jaar in 1978. Daarna steeg hij opnieuw (ten gevolge van uitgestelde geboorten) tot 28,5 jaar in 1997. Het sterftecijfer (het aantal overlijdens per duizend inwoners) bedroeg 10,26 in 2000 (tegenover 12,3 in 1970 en 11,5 in 1980). Tussen 1970 en 1980 daalde het kindersterftecijfer (het aantal overleden kinderen jonger dan 1 jaar per duizend geboorten) met 43% (van 21,1 tot 12,1) en tussen 1980 en 1986 nogmaals met 22% (van 12,1 tot 9,4). Het was 7,95 in 1993. In 1999 bedroeg de levensverwachting 80,2 jaar voor vrouwen en 74,8 voor mannen. De veroudering van de bevolking kan o.a. uitgedrukt worden aan de hand van het aandeel van de ouderen (65+) in de totale bevolking, dat tussen 1947 en 1988 van 11 tot 14,4% steeg en in 2000 tot 16,8% was opgelopen. Naast de sterke vruchtbaarheidsdaling sedert 1964 (van 2,56 in 1960 tot 1,55 in 1995) springt vooral ook de sterke afname van de huwelijkscijfers in het oog. Het aantal huwelijken per duizend inwoners daalde van 8,30 in 1950 over 7,80 in 1970 tot 6,10 in 1991 en 4,40 in 2000. Terwijl de gemiddelde huwelijksleeftijd in de jaren 1960 en de eerste helft van de jaren 1970 daalde, deed zich sindsdien een stijging voor. In 2000 bedroeg de huwelijksleeftijd voor mannen 32 jaar en 11 maanden, voor vrouwen 29 jaar en 7 maanden. Het aantal alleenwonenden is tussen de volkstellingen van 1970 en 1991 sterk toegenomen: van 19 naar 28%. De echtscheidingscijfers zijn fel gestegen in de loop van de jaren zeventig en tachtig: van 66,35 per honderdduizend inwoners in 1970 tot 264 in 2000, een van de hoogste cijfers in Europa. Niet minder dan 40,5% van de huwelijken die in 1989 werden afgesloten, waren 10 jaar later ontbonden; in 1960 was dat nog maar 3,8%, in 1970 ruim 10%, in 1990 al 36%

Eind 2002 woonden er 891 980 vreemdelingen in België (8,7% van de totale bevolking). Van de vreemdelingen heeft ca. 63% de nationaliteit van een andere EU-lidstaat. Vooral Italië en Frankrijk zijn sterk vertegenwoordigd met resp. 39% en 18% van de niet-Belgen. Nederland volgt met 13,5%. Bij de niet-Europese vreemdelingen zijn Turken en Marokkanen in de meerderheid. De natuurlijke groei van de Belgische bevolking daalde van 11 per duizend in 1970 tot –0,9 in 1984. De groei van de bevolking van vreemde nationaliteit ligt hoger: 18 per duizend in 1970 en 14,5 per duizend in 1984; in 1985 viel dit groeicijfer terug tot 9 per duizend, maar dat was grotendeels toe te schrijven aan een andere naturalisatieregeling die toen van kracht werd.

De bevolkingsdichtheid van België is 344 personen per vierkante kilometer (2008 schatting), maar er zijn belangrijke regionale verschillen; in het Vlaamse Gewest wonen 448 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) tegenover 202 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Waals Gewest en 6 287 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Bij de telling van 1991 woonde eenvierde van de inwoners van België op 3% van het grondgebied. De 1 031 215 (2007 schatting) inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen 9,4% van de totale Belgische bevolking, tegen 9,8% in 1981. In de Vlaamse steden Antwerpen, Gent en Brugge is 7,7% van de bevolking geconcentreerd en in de drie Waalse steden Charleroi, Luik en Namen 4,8%.

Vorige
| | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum