Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 11 van 11

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

5.9.7 De jaren zeventig

De internationale economische crisis van de jaren zeventig spaarde ook België niet. Het land kreeg de rekening gepresenteerd voor de te eenzijdige afstemming van zijn economie op verouderde sectoren. De overheid zag zich genoodzaakt de staal-, steenkool- en textielsector te herstructureren, een operatie die gepaard ging met de sluiting van bedrijven en mijnen en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen, en die zwaar woog op de rijksfinanciën. De snelle groei van de werkloosheid (van 3,4% van de verzekerde bevolking in 1972 tot 18,5% in 1983) was mede de oorzaak van steeds grotere begrotingstekorten (in 1988 tot 13% van het bruto binnenlands product, bbp) en van de spectaculaire toename van de rijksschuld (zie overheidsschuld) van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F begin 1989). De centrumrechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid (met o.m. het Sint-Anna- of Pinksterplan, 1986) om het begrotingstekort in te dijken. Het herstelbeleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden teruggedrongen tot 7,7% van het bbp (1988) en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur.

Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld. België sloot zich aan bij de Verenigde Naties (1945), het Pact van Brussel (1948 zie West-Europese Unie), de NAVO (1949), het EGKS-verdrag (1951) en de verdragen van Rome en Euratom (1957). De regering-Eyskens werd geconfronteerd met een groeiende emancipatiebeweging in Belgisch Kongo. Op 30 juni 1960 deed België afstand van zijn soevereiniteit over de kolonie. De onlusten die onmiddellijk daarop in Kongo uitbraken, noopten België tot een gewapende interventie. De relaties met de ex-kolonie zouden problematisch blijven en geregeld worden gekenmerkt door ernstige spanningen (zie ook § 8.10 en Congo [Kinshasa]§ Geschiedenis).

De Vlaamse Beweging, die zwaar getroffen was door de repressie, kon zich maar moeizaam herstellen. Pas na de beslechting van de Schoolstrijd kwam er ruimte vrij voor belangrijke verwezenlijkingen op het gebied van de Vlaams-Waalse verhoudingen: splitsing van het ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (1961–1962), vastlegging van de taalgrens (1962), herziening van de taalwetgeving (1963). Deze maatregelen gingen gepaard met hernieuwde buitenparlementaire acties (Mars op Brussel, 1961 en 1962). Met de doorbraak van de Volksunie (VU) kwam, vanaf 1960, de federalistische idee aan bod, die ook in Wallonië aanhang kende. Hoewel de drie grote partijen het federalisme niet onderschreven, voelden zij zich genoodzaakt concessies te doen. Daartoe leidden zij de procedure tot herziening van de Grondwet in, waarmee het op 23 mei 1965 verkozen parlement werd belast. De CVP-BSP-regering beschikte echter niet over de noodzakelijke tweederde meerderheid om de herziening door te voeren. Moeilijkheden in verband met de ziekteverzekering leidden tot haar ontslag (februari 1966), waarna een CVP-BSP-PVV-kabinet onder de leiding van Paul vanden Boeynants werd gevormd. Hoewel deze regering het bevriezen van de taalvraagstukken gedurende twee jaar voorstond, struikelde zij over het probleem van de overheveling van de Franstalige afdeling van de Leuvense universiteit naar Wallonië (7 februari 1968). De daaropvolgende vervroegde verkiezingen van 31 maart leverden forse winst op voor de federalistische partijen.

Vanaf 1970 stond het politieke leven grotendeels in het teken van de staatshervorming. De regering-Eyskens (CVP/PSC-BSP; 1968–1971) voerde de economische decentralisatie in en maakte met een grondwetsherziening een einde aan het unitaire België. De nieuwe Grondwet deelde België in vier taalgebieden in en erkende drie cultuurgemeenschappen en drie gewesten. In uitvoering van de Grondwet werden drie Cultuurraden opgericht, waarvan de Nederlandse en de Franse wetgevende bevoegdheid kregen, maar voor de uitvoering van artikel 107quater over de gewesten bleef vooral de begrenzing van Brussel een twistpunt, dat noch de nieuwe CVP/PSC-BSP-regering-Eyskens (1972), noch het drieledige kabinet-Leburton (1973–1974) kon oplossen. Nadat in 1974 een ‘voorbereidende’ gewestvorming was ingevoerd, kwam in mei 1977 een akkoord over het geheel van de staatshervorming tot stand tussen CVP, PSC, BSP, VU en FDF. Dat Egmontpact strandde in oktober 1978 op Vlaams verzet en op grondwettelijke bezwaren van de CVP.

5.9.8. De jaren tachtig

Het zespartijenkabinet (CVP-PSC-SP-PS-PVV-PRL) van Wilfried Martens slaagde er in de zomer 1980 in een nieuwe grondwetsherziening door te voeren, die de cultuurautonomie verving door een ruimere gemeenschapsautonomie en de gewestvorming tot stand bracht. De drie gemeenschappen en het Vlaams en het Waals Gewest kregen, naast een parlement (‘Raad’), een eigen regering (Executieve), maar over het statuut van Brussel kon andermaal geen akkoord worden gevonden. Vrij snel bleek dat de staatshervorming van 1980 leemten en gebreken vertoonde. Bovendien werden de christen-democratisch-liberale regeringen-Martens (1981–1985 en 1985–1987) geconfronteerd met nieuwe ‘communautaire’ problemen, o.m. de staatshulp aan de (vooral Waalse) staalbedrijven en de taalkennis van politieke mandatarissen in de Vlaamse faciliteitengemeenten. Die laatste kwestie, gekristalliseerd rond burgemeester José Happart van Voeren, leidde in de herfst 1987 tot een kortsluiting in het kabinet en de langste regeringscrisis uit de Belgische geschiedenis (december 1987–mei 1988). Een en ander bracht de politieke wereld ertoe de voor de jaren negentig geplande verdere hervorming van de staat te vervroegen. Via een nieuwe grondwetsherziening gaf een alweer door Martens geleide CVP-PSC-SP-PS-VU-regering in de tweede helft van 1988 een nog ruimere autonomie en meer financiële middelen voor de gemeenschappen en de gewesten, en werd ook eindelijk het statuut van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest geregeld.

5.9.9 De jaren negentig

De parlementsverkiezingen van 24 november 1991 wijzigden de machtsverhoudingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen verloren stemmen. De stemmenwinst ging in Vlaanderen in hoofdzaak naar het Vlaams Blok en in Wallonië naar Ecolo. Een derde van de kiezers had tegen de gevestigde partijen gestemd. Na het decennium-Martens (1981–1991) vormde de christen-democraat Jean-Luc Dehaene een rooms-rood kabinet (7 maart 1992), dat de verkiezingen van 21 mei 1995 overleefde en (in weliswaar enigszins gewijzigde samenstelling) werd voortgezet. De belangrijkste dossiers van beide regeringen waren de sanering van de rijksbegroting, de hervorming van de sociale zekerheid en de strijd tegen de werkloosheid. Via opeenvolgende fiscale en bezuinigingsmaatregelen kon het jaarlijkse financieringstekort teruggedrongen worden tot 1,9% van het bbp en werd België in mei 1998 opgenomen in de Europese Monetaire Unie (EMU).

Met het Sint-Michielsakkoord van 29 september 1992 en de daaropvolgende grondwetsherziening (1993) werd België onder de regering-Dehaene I een echte federale staat en kregen Vlaanderen en Wallonië eindelijk een (op 21 mei 1995 voor het eerst) rechtstreeks verkozen parlement (zie Vlaams Gewest, Waals Gewest).

Op 31 juli 1993 overleed onverwacht koning Boudewijn, met zijn 42 jaar durend koningschap de langst regerende vorst in Europa. Hij werd opgevolgd door zijn broer, Albert II.

Nadat het eerste kabinet-Dehaene had moeten toezien hoe de twee socialistische coalitiepartijen in moeilijkheden waren gekomen door de Agusta-Dassaultaffaire, die aanleiding had gegeven tot initiatieven voor een ‘nieuwe politieke cultuur’, werd de tweede regering-Dehaene geconfronteerd met de Dutroux-affaire, een zaak van kinderontvoering, -misbruik en –moord, die op pijnlijke wijze tekortkomingen in de organisatie en werking van de politiediensten en het gerecht reveleerde. De regering werkte aan plannen voor de hervorming van politie en justitie, die na de ontsnapping van Marc Dutroux (mei 1998) de steun van de meeste oppositiepartijen kregen (zie Octopusakkoord).

Bij de parlementsverkiezingen van 13 juni 1999 leden de regeringspartijen – de christen-democratische CVP en PSC, en de socialistische SP en PS – een zware nederlaag. De CVP (Christelijke Volkspartij), die in 1991 in Vlaanderen nog 27,3% van de stemmen kreeg, viel terug tot 22,2%. De partij had voor het eerst minder dan één miljoen kiezers en moest haar positie als grootste fractie in de Kamer afstaan aan de VLD (Vlaamse Liberalen en Democraten), die lichte winst boekten en 22,6% van de stemmen kregen. De grote winnaars waren de groenen. In Vlaanderen klom Agalev van 7 naar 11%, in Wallonië maakte Ecolo een sprong van 10,3 naar 17,9%.

De verkiezingsoverwinning van de groenen en de afstraffing van de regeringspartijen werd toegeschreven aan de ‘dioxinecrisis’, een in omvang weliswaar beperkte besmetting met giftige pcb’s en dioxines van veevoer en, als gevolg daarvan pluimvee en varkensvlees, die wegens een tijdelijk uitvoerverbod zware economische gevolgen had, die de laatste weken van de verkiezingscampagne had gedomineerd. De crisis was op 27 mei begonnen, toen bekend werd dat in de tweede helft van januari dierlijk vet dat met pcb- en dioxinehoudende olie was vermengd, terechtgekomen was in veevoer dat aan enkele honderden pluimvee-, varkens- en rundveebedrijven was geleverd.

Na de verkiezingen vormden liberalen, socialisten en groenen een ‘paarsgroene’ regering onder leiding van Guy Verhofstadt (VLD) en kwamen de christen-democraten voor het eerst sinds 1958 in de oppositie. Ook op het regionale beleidsniveau (Vlaanderen, Waals Gewest, Franse Gemeenschap, Brussels Hoofdstedelijk Gewest) kwamen paarsgroene coalities tot stand, in Vlaanderen aangevuld met VU&ID.

6. De 21ste eeuw

Voor de politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren na 1999 zie België 2000, België 2001, België 2002, België 2003, België 2004 en België 2005.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum