![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 10 van 11
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Staatsinrichting en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
Het Unionisme bleef tijdens de eerste jaren van de Belgische onafhankelijkheid bestaan uit noodzaak de jonge staat te beveiligen en te consolideren. Vrij spoedig echter trad de levensbeschouwelijke tegenstelling op de voorgrond. De veroordeling door de encycliek Mirari vos (1832) van het liberale katholicisme veroorzaakte bij de katholieken een gewetenscrisis omtrent de samenwerking met de liberalen. Van hun kant wezen sommige liberalen het Unionisme af, uit vrees voor een te grote invloed van de kerk op het openbare leven. De anti-unionistische stroming kreeg de steun van de vrijmetselarij (waarvan aanvankelijk ook katholieken deel uitmaakten), die na een veroordeling door de bisschoppen (1838) naar een antigodsdienstig radicalisme evolueerde, en van het Orangisme, dat na de aanvaarding van het Verdrag der XXIV Artikelen (1839) zijn bestaansreden ontnomen zag en aansluiting zocht bij de liberalen. Dat het Unionisme ook na 1839, toen de bedreiging van de Belgische onafhankelijkheid was afgewenteld, bleef bestaan, is toe te schrijven aan de invloed van koning Leopold I en de katholieken, die in deze regeringsvorm de beste waarborg voor het eigen gezag resp. voor de kerkelijke belangen zagen. Aan de katholiek-liberale samenwerking kwam een einde na de oprichting van de liberale partij (1846), die na de verkiezingen van 1847 alleen aan de macht kwam. In 1855 werd een laatste poging ondernomen om het Unionisme te herstellen, maar met de val van het kabinet-De Decker (1857) verdween het definitief van het politieke toneel, waarna de tegenstelling tussen katholieken en liberalen voorgoed naar voren kwam, met de onderwijspolitiek als belangrijkste twistpunt. De spanning nam toe onder de opeenvolgende liberale regeringen (1857–1870), die de kerkelijke invloed verder beperkten ten gunste van de staatsinterventie, en culmineerde in de naar aanleiding van de nieuwe Wetten op het lager (1879) en middelbaar onderwijs (1881) ontstane Schoolstrijd (met o.m. de verbreking van de betrekkingen met het Vaticaan), waarbij uiteindelijk de katholieken baat vonden. Na hun verkiezingsoverwinning van 1884 – mede toe te schrijven aan de verdeeldheid in het liberale kamp – bleven zij ruim dertig jaar aan de macht. Nadat reeds eerder landelijke politieke organisaties waren ontstaan, gingen zij in 1884 over tot de oprichting van een nationale confessionele katholieke partij waarbinnen echter een brede kloof bestond tussen de burgerlijk conservatieve meerderheid en de sociaal-democratische minderheid. Op economisch gebied had België ondertussen een ware omwenteling meegemaakt. De landbouw bleef tot ca. 1880 weliswaar de voornaamste sector, maar met de aanleg van het spoorwegnet (vanaf 1834) groeiden de mijnbouw en de metaalindustrie snel aan, voorlopig hoofdzakelijk in Wallonië. Ook het bank- en verzekeringswezen nam een hoge vlucht. Door o.m. het sluiten van handelsverdragen en de afkoop van de Scheldetol (1863) stimuleerde de regering de expansie. Het allesoverheersende economisch liberalisme veroorzaakte ook in België grote armoede en ellende. Tegen deze wantoestanden traden vanaf 1850 socialistische groepen op. Uit hun samenwerking ontstond in 1885 de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Werkstakingen en een opstand in het Waalse industriebekken (1886) vestigden de aandacht van de regering op het arbeidersvraagstuk. De eerste sociale wetten werden goedgekeurd. Na de invoering van het algemeen meervoudig kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar (1893) deed de BWP haar intrede in het parlement. Voor de liberalen betekende het nieuwe kiesstelsel een zware klap: hun zetelaantal viel van 61 (1892) terug naar 20 (1894). Pas na 1900, toen de breuk binnen de partij werd hersteld, steeg hun getalsterkte opnieuw, dankzij de invoering van de evenredige vertegenwoordiging (1899). De Vlaamse Beweging slaagde er vanaf ca. 1860 in het probleem van de verfransing van Vlaanderen op het politieke vlak te brengen. De Wet op het gebruik van het Nederlands in het strafgerecht in Vlaanderen (1873) was de aanzet van de in de loop der daaropvolgende jaren uitgevaardigde taalwetgeving, waarvan de Gelijkheidswet (1898) het (voorlopige) sluitstuk was. Op het gebied van de buitenlandse en de militaire politiek hield België vast aan het in 1831 door de mogendheden opgelegde statuut van eeuwigdurende neutraliteit. Ten gevolge van de internationale situatie zag het zich genoodzaakt vanaf 1848, en ondanks heftig binnenlands verzet, zijn militaire inspanningen op te drijven. Uit vrees voor annexatie door Frankrijk werd Antwerpen uitgebouwd tot nationale vesting, een maatregel waartegen door de Meetingpartij heftig werd gereageerd. Na de Franse nederlaag (1870–1871) tegen Duitsland (zie Frans-Duitse Oorlog) dreigde het gevaar dat België als doorgangsgebied voor een van beide landen zou dienen. Daarom werd vanaf 1887 de Maasvallei versterkt en de Antwerpse vesting verder uitgebouwd. In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht voor één zoon per gezin ingevoerd en in 1913 de algemene persoonlijke dienstplicht. Deze hervorming van het op loting gebaseerde stelsel kwam echter te laat om effect te sorteren toen België door het Duitse ultimatum van 2 augustus 1914 in de Eerste Wereldoorlog werd meegesleept.
De Eerste Wereldoorlog nam een aanvang op 4 augustus 1914 toen Duitsland België binnenviel. Het Belgische leger kon de Duitse opmars tijdelijk vertragen, maar moest zich terugtrekken achter de IJzer (zie ook Slag aan de IJzer). Van oktober 1914 af was heel België, op het kleine stukje aan de IJzer na, door de Duitsers bezet. De regering vestigde zich in Le Havre. Koning Albert bleef met het leger op het Belgische grondgebied en weigerde pertinent dit te verlaten. Hoewel de bevolking haast eensgezind vijandig stond tegenover de Duitsers, is van actief verzet geen sprake geweest. De industrie werd geleidelijk lamgelegd wegens gebrek aan grondstoffen en opeisingen van de vijand, wat het gemiddelde aantal werklozen op 650 000 bracht. Een kleine groep zgn. activisten werkte tijdens de oorlog met de bezetter mee (zie activisme). In het leger stond een Frontbeweging van Vlaamse intellectuelen op de bres voor de Vlaamse eisen. Eind september 1918 begon het bevrijdingsoffensief, dat van het Belgische leger 3500 doden en 31 000 gewonden vergde. Op 11 november trad de wapenstilstand in. Bij het Verdrag van Versailles (1919) verkreeg België de opheffing van zijn neutraliteitspositie, een geprivilegieerde behandeling inzake vergoeding van oorlogsschade door Duitsland, de mandaatuitoefening over Rwanda–Oeroendi (zie Burundi) en de annexatie van de Duitse gebieden Eupen, Malmédy en Sankt Vith (zie Oostkantons).
De invoering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht (1919; tot 1949 alleen voor mannen) zou, op één uitzondering na (1950–1954), het behalen van een volstrekte meerderheid door één partij uitsluiten. Voortaan was men aangewezen op coalitieregeringen, die tot stand kwamen op basis van een compromis tussen de diverse partijprogramma's. De problemen rond de wederopbouw deden in de onmiddellijke naoorlogse periode een klimaat van nationale unie, d.i. een samenwerking van de drie zgn. nationale partijen (katholieken, liberalen, socialisten), ontstaan, die tot 1921 bleef bestaan en ook later nog zou voorkomen (1926–1927, 1935–1939, 1939–1940). Alle overige kabinetten omvatten katholieken, die nu eens de liberalen, dan weer de socialisten als partner zochten. De katholieke partij had het meest te lijden onder de pressie van de Vlaams-nationalisten, die zich verenigden in de Frontpartij. Deze werd in 1933 opgevolgd door het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), dat – evenals het rexisme, dat bij de verkiezingen van 1936 een kortstondig succes boekte – steeds meer in het vaarwater van het fascisme en het nationaal-socialisme terechtkwam. De liberalen verloren een deel van hun progressieve aanhang onder de arbeiders aan de BWP. Binnen deze partij was een scheuring tussen de reformistische en de revolutionaire strekking aanleiding tot het oprichten in 1921 van de Communistische Partij van België (CPB; later Kommunistische Partij van België (KPB) geheten). Na de zware verwoestingen van de oorlog duurde het tot 1925 voordat de economie zich (vrij moeizaam) had hersteld. Het zwakste punt ervan was de positie van de frank, die veel van zijn waarde verloor en in 1924–1925 dieper dan ooit daalde. Het katholiek-socialistische kabinet-Poullet-Vandervelde (1925–1926) zag zich de steun van de financiële kringen ontzegd. Het dreigende bankroet werd vermeden door het saneringsplan van Émile Francqui, die als minister in het kabinet-Jaspar (1926–1927) de spoorwegen denationaliseerde (oprichting van de NMBS) en de frank devalueerde. Deze muntontwaarding gaf de industrie en de handel een sterke impuls. Aan de economische bloei kwam vanaf 1931 een einde, onder invloed van de wereldcrisis (zie crisis). Het deflatiebeleid kende geen succes en verhoogde de reeds sterk toegenomen werkloosheid. Tegenover de machteloosheid van de regering om de crisis te bedwingen plaatste de socialistische oppositie het door Hendrik de Man ontworpen Plan van de Arbeid (zie plansocialisme). Het werd zeer fragmentarisch uitgevoerd door de drieledige regering-Van Zeeland, die door een nieuwe devaluatie van de frank (1935) het economische herstel inleidde. Voortaan zou de overheid in toenemende mate ingrijpen in het economische leven. Tijdens het interbellum werd de sociale wetgeving aanzienlijk uitgebreid. Belangrijke maatregelen waren de erkenning van het stakingsrecht en de syndicale vrijheid (1921), de beperking van de arbeidsdag en -week tot 8 resp. 48 uur (1921), de invoering van een jaarlijkse (zesdaagse) vakantie (1936) en het vastleggen van een minimumloon (1936). Aanvankelijk werden de Vlaamse eisen traag ingewilligd. De verkiezing van de activist August Borms (1928) tot Kamerlid had echter een schokwerking. De Gentse universiteit werd volledig vernederlandst (1930), in de administratie en het lager en secundair onderwijs werd het beginsel streektaal=voertaal ingevoerd (1932), er kwam amnestie voor veroordeelde activisten (1937) en het leger werd op regimentsniveau in Nederlandstalige en Franstalige eenheden ingedeeld (1938). In zijn buitenlandse politiek streefde België naar nieuwe veiligheidsgaranties. In september 1920 werd een Frans-Belgisch militair akkoord gesloten dat, o.m. wegens het geheimhouden van zijn inhoud, scherpe kritiek uitlokte van Vlaamsgezinde en socialistische zijde. Ook de Belgische deelname aan de Ruhrbezetting (1923–1924) op basis van dit akkoord stootte op hevig verzet in dezelfde kringen. In 1925 sloot België zich aan bij de Locarnoverdragen (zie Conferentie van Locarno), waardoor het in een ruimer systeem van collectieve veiligheid werd opgenomen. Na de Duitse opzegging van de Locarnoverdragen (1936) keerde België terug naar een neutraliteitspolitiek. Deze houding zou echter niet beletten dat het land opnieuw in een oorlog zou worden betrokken.
De Tweede Wereldoorlog begon op 10 mei 1940 toen de Duitse troepen zonder oorlogsverklaring België binnenvielen (zie Achttiendaagse Veldtocht). Toen Leopold III op 28 mei capituleerde, gaf hij geen gehoor aan de wens van de driepartijenregering-Pierlot (1939–1945) om uit te wijken. Het kwam tot een breuk tussen de koning en de ministers, die naar Frankrijk vertrokken en zich later te Londen vestigden. Met de Nederlandse regering te Londen werd op 5 september 1944 het Benelux-verdrag gesloten. Het Belgische grondgebied, dat volledig was bezet, kreeg een militair bestuur (Militärverwaltung), dat evenwel de Belgische administratieve diensten, onder leiding van de secretarissen-generaal, aan het werk liet. De Belgische economie werd ingeschakeld in de Duitse oorlogsvoering en vanaf 1942 kwam er verplichte arbeidsdienst (zie arbeidsinzet). Een deel van de bevolking stond tijdens de eerste dagen van de bezetting niet afwijzend tegenover de bezetter. In de winter 1940–1941 echter brachten de moeilijke ravitaillering en maatregelen als de opeising van voorraden en van arbeidskrachten, de zware oorlogsbelastingen, de deportatie van joden en van verzetslieden, enz. een kentering in de publieke opinie teweeg. Van toen af breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging zich snel uit (zie Tweede Wereldoorlog§ Het verzet). Anderzijds stonden de rexisten en het VNV, naast enkelingen die, zoals H. de Man, aanvankelijk aan de algemene ontreddering toegaven, gedurende de hele oorlog aan de zijde van de Duitsers (zie collaboratie). Geleidelijk werd het VNV in de gunst van de Duitsers overvleugeld door de beslister pro-Duitse DeVlag en Vlaamse SS. Na de geallieerde doorbraak vanuit Normandië werd Brussel op 2 september 1944 en een paar weken daarna bijna het gehele Belgische grondgebied bevrijd, maar intussen was de beschieting van Antwerpen en Luik met Duitse V-wapens begonnen. Na het Ardennenoffensief was de bezetting voorgoed ten einde.
Na de Tweede Wereldoorlog. Het naoorlogse partijpolitieke leven bewandelde de tijdens het interbellum gebaande wegen. Het mislukte experiment met de Union démocratique belge (UDB) toonde aan dat er (althans tijdelijk) geen mogelijkheid tot vernieuwing was. In 1945 nam de katholieke partij de benaming Christelijke Volkspartij (CVP) aan en de door Hendrik de Man ontbonden BWP diende zich aan als de Belgische Socialistische Partij (BSP). De liberalen vormden hun partij in 1961 tot de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) om. Het Vlaams-nationalisme kwam in 1954 terug in de politieke arena, maar pas vanaf 1961 zou de Volksunie (VU), onder invloed van de scherper wordende spanningen tussen de Nederlandstalige en Franstalige gemeenschappen, uitgroeien tot een belangrijke formatie. Later dan in Vlaanderen leidden de gemeenschapstwisten tot de oprichting van nieuwe partijen in Wallonië en Brussel: het Rassemblement wallon (RW), resp. het Front démocratique des Bruxellois francophones (FDF), die een snelle groei kenden in de jaren zeventig, maar na 1980 over hun hoogtepunt heen waren. De groeiende tegenstellingen tussen Nederlands en Frans sprekenden werkten bovendien tegen het einde van de jaren zestig als ontbindende factor op de katholieke en liberale partijen. Tien jaar later (1978) deed zich ook in de socialistische partij een breuk voor. In de jaren tachtig verwierven de ‘groene’ partijen Agalev en Ecolo een vaste plaats in het parlement. Na twee regeringen van nationale unie, waar ook de KPB toe behoorde, werden sinds 1946 opnieuw coalitieregeringen op de been gebracht, die een vrij gedifferentieerde samenstelling kenden. In tegenstelling tot de periode 1919–1939 werden de katholieken enkele malen in de oppositie gedreven en kwamen ook enkele éénpartijkabinetten (CVP) aan de macht. Vanaf 1974 werden de zgn. communautaire partijen regeringsbekwaam geacht. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog laaiden de levensbeschouwelijke tegenstellingen hoog op. De omstreden houding tijdens de oorlog en de eventuele terugkeer van Leopold III zetten de linkse (socialistische, liberale en communistische) en de rechtse (katholieke) partijen tegen elkaar op in de Koningskwestie. Doordat dit conflict bovendien grotendeels samenviel met de Vlaams-Waalse tegenstelling (in Vlaanderen sprak de meerderheid zich uit voor de terugkeer van de koning, in Wallonië tegen de terugkeer), bracht het België op de rand van een burgeroorlog, die slechts kon worden vermeden door de troonsafstand van Leopold, ten voordele van zijn zoon Boudewijn (1951). De CVP maakte van haar bij de verkiezingen van 1950 behaalde meerderheid gebruik om een ruime subsidiëring aan het vrijé (katholieke) onderwijs toe te staan. Toen het socialistisch-liberale kabinet-Van Acker (1954–1958) deze maatregelen ongedaan maakte, brak in het land een tweede Schoolstrijd los. Na de CVP-verkiezingsoverwinning van 1958 ondertekenden de drie zgn. nationale partijen het Schoolpact, dat de onderwijsvrede en de levensbeschouwelijke pacificatie herstelde. Dankzij de relatief intact gebleven industriële infrastructuur, de muntsanering (1944), de opbrengsten van de uraniumproductie in de Belgische kolonie tijdens de oorlog, de dienstverlening van de haven van Antwerpen voor de geallieerde legers na de oorlog, het op dreef brengen van de steenkoolproductie, de Marshallhulp (zie Marshallplan) en de economische samenwerking in Benelux- en Europees verband, kon België zich snel herstellen. Werkgevers en werknemers hadden reeds tijdens de bezetting de wens tot een loyale samenwerking uitgedrukt, die gestalte kreeg in de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie. De Besluitwet op de maatschappelijke zekerheid (1944) voerde de verplichte werkloosheids- en ziekte- en invaliditeitsverzekering in. De economische vooruitgang kon echter niet beletten dat het land een grote structurele werkloosheid kende, die na het uitvaardigen van de Wet op de regionale expansie (1959) geleidelijk kon worden bedwongen. Vanaf 1960 diende zich een periode van hoogconjunctuur aan, voornamelijk dankzij de economische schaalvergroting (inwerkingtreding van de Europese Economische Gemeenschap). Bij de jaarwisseling 1960–1961 riep het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) een werkstaking uit tegen de Eenheidswet, die nieuwe belastingen en ernstige bezuinigingen oplegde. Teneinde de stagnerende economie te stimuleren, werd in 1966 een tweede regionale-expansiewet uitgevaardigd, die een nieuwe periode van hoogconjunctuur inluidde.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |