Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar België

Resultaten van Windows Live® Search

  • belgie.startpagina.nl

    BELGIE-STARTPAGINA, over vakantiewoningen, vakantiehuizen, appartementen, chalets in de Ardennen en aan de Belgische Kust. Ook over wonen en werken in Belgie. Hypotheken als u in ...

  • België

    Veel van onderstaande gegevens, met name de statistische, zijn ontleend aan: Patrick Johnstone, Operation World, 2001. Dit handboek geeft een schat aan informatie ...

  • BELGIE

    BELGIE ... Geografie Algemeen België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

België

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van BelgiëVlag en volkslied van België
Artikeloverzicht

Introductie

België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium), federaal koninkrijk in West-Europa, 30 528 vierkante kilometer (1998 reëel), met 10 392 226 (2007 schatting)inwoners; 343 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Brussel. Tot België behoort ook een aantal (ca. 30) in de Nederlandse provincie Noord-Brabant gelegen kleine gebieden (exclaves, waarbinnen twee Nederlandse enclaves behorend tot de gemeente Baarle-Nassau liggen), die tezamen de gemeente Baarle-Hertog vormen. In België geldt Midden-Europese tijd (MET). De munteenheid is (sinds 1 januari 2002) de euro ( = 40,3399 Belgische frank). De internetlandcode (TLD) is be. Nationale feestdag is 21 juli, (troonsbestijging van Koning Leopold I, 1831). Het volkslied is La Brabançonne.

De oorsprong van de benaming van het staatkundige begrip België is te vinden in de naam Belgae, een groep Keltische stammen die het gebied bewoonden dat onder de Romeinse keizer Augustus als de provincie Belgica zou worden ingericht. Na de Romeinse overheersing geraakte de naam in onbruik tot aan de humanisten (tweede helft 15de eeuw), die echter de namen Belgium en Belgae zowel op het huidige Nederland als op het huidige België als op de beide tezamen toepasten. Zo werd bijv. met de benaming Belgium Foederatum de Republiek der Verenigde Nederlanden aangeduid. Toen tijdens de Brabantse Omwenteling de Zuidelijke Nederlanden tot een onafhankelijke staat werden uitgeroepen, kreeg deze de naam États Belgiques Unis. De benaming Belgen werd voortaan bijna uitsluitend gebruikt met betrekking tot bewoners van het grondgebied dat later België zou vormen en met het ontstaan van de staat België (1830) kregen de namen België en Belgen voorgoed hun beperkte zin.

1. Landschap, klimaat en natuur

1.1 Landschap

Het landschap van België vertoont een rijke verscheidenheid. Belgisch Lotharingen, in het zuiden, behoort tot het cuestalandschap van het Bekken van Parijs. In de zachthellende Juralagen komen drie weerstandbiedende formaties voor. Vooral de noordelijkste en zuidelijkste zijn tot typische cuesta's ontwikkeld met een naar het noorden gericht front, steil afdalend naar de subsequente depressies van Semois en Ton-Vire. De Ardennen worden beheerst door een plateaulandschap, gevormd tijdens het Tertiair, met diepe verwering onder subtropische klimaten. De verscheidenheid wordt veroorzaakt door de diepe, lintvormige insnijding van de rivierdalen gedurende het Kwartair. In de Hoge Ardennen, ten noorden van de Ourthe, overschrijdt de hoogte de 600 m; zij culmineert in brede, moerassige koepels: Plateau van Hoge Venen (694 m), Plateau van Büllingen (692 m) en Plateau des Tailles (652 m). Hier tussenin werden tijdens het Tertiair in de zachtere gesteenten brede depressies uitgeboetseerd, waardoor een bergachtig aanzicht ontstond. De latere dalinsnijding verhoogt aanzienlijk de reliëfenergie. Talrijke reliëfdetails wijzen op de rigoureuze, arctische klimaatsomstandigheden die tijdens de laatste twee ijstijden heersten. In de Lage Ardennen, ten zuiden van de Ourthe, is het eenvormige plateau beter bewaard gebleven ten gevolge van geringere opheffing en kleinere verschillen in de weerstandgesteenten (Saint-Hubert 589 m, Croix-Scaille 505 m). De Condroz is een laagplateau (tot 343 m hoog) met het aspect van een gegolfde plaat. De Tertiaire schiervlakte snijdt de plooien af, waardoor afwisselende banden zandsteen, kalksteen en schalie dagzomen. De zandstenen vormen appalachische, langgerekte kammen, terwijl de kalkgesteenten door verwering lager liggen. Samen met de insnijding van de valleien tijdens het Kwartair werden de schalies door vorstwerking uitgeruimd tot depressies (Fagne-Famenne) en vond intense grotvorming plaats in de kalkgesteenten.

Ten noorden van dit gebied liggen de Leemstreken van Midden-België. De oorspronkelijke neogene kustvlakte werd door opheffing scheefgesteld en door de riviererosie versneden, naar verhouding van de afstand tot de zee. In Haspengouw bleef het plateau het best bewaard, in het Dijlebekken ging de versnippering verder, maar zij werd geremd door de grofkorrelige zanden van de ondergrond. Tussen Zenne en Schelde werd het plateau gereduceerd tot een heuvellandschap waarin slechts de Vlaamse Ardennen met een weerstandbiedende ijzerzandsteenkap van het oorspronkelijke vlak overblijven. Ten westen van de Schelde ging de verlaging nog intensiever door, waardoor enkele getuigeheuvels, zoals de Kemmelberg (156 m hoog), des te imposanter aandoen. Aan dit reliëf werd de laatste hand gelegd door de eolische afzetting van löss tijdens de Würm-ijstijd. Doordat de löss bijeenwaaide en bijeenspoelde in dalen en depressies, had hij een nivellerende invloed. Zijn dikte overtreft niet zelden de 20 m waardoor de plateaus nog vlakker, de heuvelflanken nog zachtglooiender werden.

Vanaf de Demer-Rupel-Schelde domineert de zandige laagvlakte. Slechts enkele verhevenheden laten het werk van de erosie vermoeden; zij bleven gespaard in zuivere kleien (Oedelem-Zomergem, Waas-Boom) of in ijzerhoudende zandstenen (Beersel-Hageland). Een uitzondering vormt het Kempens plateau, waar de dikke grindlagen van de oude Maaspuinkegel de verdere erosie volledig verhinderden. Elders werd het vlakke karakter versterkt door de aanvoer van eolische dekzanden tijdens de Würm-IJstijd, die door sneeuwsmeltwater werden uitgespreid en zelfs de diepe Vlaamse vallei uitwisten.

Na de laatste ijstijd veroorzaakte de Flandrische transgressie de inundatie van de kustvlakte en de vorming van de duingordel. In verscheidene historische fasen voltrok zich de opbouw van de poldervlakte langs de zee en het Schelde-estuarium.

1.2 Rivieren

Afgezien van de Sauer en de Oise, behoort het rivierstelsel in België tot de bekkens van IJzer, Schelde en Maas. Ten zuiden van Samber en Maas ontstonden de rivieren tijdens het Paleogeen met een hoofdrichting van zuid naar noord. Door de opwelving van de Ardennen verloor de Maas in Frankrijk zijn voornaamste bijrivieren door aftapping ten voordele van Rijn en Seine. Naast de oorspronkelijke consequente rivieren ontstonden in de Ardennen en Condroz subsequente takken ten gevolge van aanpassing aan de geologische structuur, zoals de Semois. De Beneden-Samber en de Maas van Namen tot Luik moeten worden opgevat als een combinatie van een subsequente en een synclinale rivier in zachte lagen van het verder inklinkende Bekken van Namen. Pas in het Midden-Kwartair ontstond de Maastak van Luik naar Maaseik, door overvloeien in de noordelijke vlakte, waarbij het terrassenlandschap van Limburg werd opgebouwd, de puinwaaier van het actuele Kempens plateau zich openspreidde en een directe verbinding met het Rijnbekken tot stand kwam. Later sneed de Maas zich definitief in, oostwaarts van de puinkegel. Ten noorden van Samber en Maas ontstond tijdens het Neogeen en het Vroeg-Kwartair een naar het noordoosten gericht parallel rivierstelsel van IJzer, Leie, Schelde, Dender, Zenne, Dijle en Gete. Deze consequente rivierrichting liep volgens de maximale helling naar de terugtrekkende Tertiaire zeeën. Door erosie in het Tertiaire klei-zandsubstraat werden diepe valleien uitgeschuurd en deels opnieuw opgevuld met riviergrinten, waardoor een terrassenreeks werd geboetseerd. Vooral gedurende het Midden-Kwartair ontwikkelde zich een subsequent noordwest-zuidoost gericht zijtakkenpatroon door aanpassing aan de geologische structuur (Schelde stroomafwaarts Gent; Rupel). De globale afwatering van Leie-Schelde, intussen versterkt door aftapping van de rivieren uit Midden-België, liep gedurende de Riss-ijstijd via de Vlaamse Vallei over Gent-Eeklo-Vlissingen tot diep in de bijna droogliggende Noordzee. Ook het IJzerbekken sloot hier op aan. Gelijktijdig ontwikkelde zich het dominerend oostwest gericht rivierstelsel van de beide Neten en de Demer. De Hene werd synclinaal aangelegd in het Bekken van Bergen, terwijl de subsequente Méhaigne en de Jeker de bovenlopen van het Getestelsel naar de Maas afleidden. De rijzende zeespiegel van het Eemien overspoelde de huidige kustvlakte en de Vlaamse Vallei, waardoor de rivieren in aanzienlijke mate werden verkort. Met de hernieuwde daling van het zeeniveau tijdens de Würm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw nagenoeg droog en werden de inmiddels vrijgekomen estuaria en baaien fluviatiel opgevuld. De noordelijke afvloei over Eeklo werd echter op het einde van de ijstijd door uit het noorden aangewaaide dekzanden afgedamd ter hoogte van Maldegem-Stekene, waardoor een fluviatiele afbuiging in oostelijke richting noodzakelijk was om via een overvloeien langs Antwerpen een nieuwe verbinding met de zee mogelijk te maken.

Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik) en Schelde (gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen) wordt in hoofdzaak bepaald door het gematigd maritiem klimaat. De regenval is weliswaar bijna gelijkmatig over het gehele jaar verspreid, maar bedraagt voor de Ardennen (1400 mm/jaar) nagenoeg het dubbele van het kustgebied (700 mm/jaar). De hoge verdamping is in de zomer verantwoordelijk voor de lage debieten. De Hoge Venen veroorzaken door het sponseffect een bufferende rol voor het Maasdebiet. Het Scheldedebiet daarentegen wordt regelmatiger gevoed door overvloedige bronnen. Ook worden overstromingen in de hand gewerkt door rechttrekking van natuurlijke meanders en bedijkingen van de uiterwaarden. In de winter brengt de lage verdamping een veel hogere afvloeiing van de neerslag mee. De wintermaxima zijn voor de Maas belangrijker dan voor de Schelde ten gevolge van de hogere neerslag in de Ardennen, de ondoordringbare ondergrond en het grotere aandeel van de sneeuw. Het oppervlaktewater wordt verzameld in stuwmeren, vijvers en groeven voor waterbedeling. Naast de oppervlakkige afvloeiing worden de dagzomende poreuze grondlagen door insijpelend water gevoed, waardoor waterhoudende lagen met zeer geringe grondwaterstromingen (enkele cm per dag) ontstaan.

1.3 Geologie

Geologisch bestaat België hoofdzakelijk uit sedimentgesteenten gevormd door afbraak van continenten boven zeeniveau. Mariene gesteenten afgezet onder zeeniveau komen in mindere mate voor en metamorfe en vulkanische gesteenten zijn van ondergeschikt belang. De positie van het zeeniveau en van de kustlijnen en de perioden van gebergtevorming zijn derhalve bepalend geweest voor de geologische geschiedenis en gesteentediversifiëring vanaf het Onder-Paleozoïcum tot in het Holoceen. De primaire gesteenten (Paleozoïcum) zijn verhard, geplooid en gebroken door de Caledonische en/of Variscische orogenese (= gebergtevorming) en vormen meestal steilhellende lagen. De Mesozoïsche, Tertiaire en Kwartaire afzettingen zijn alleen plaatselijk door de nawerking van de Variscische en alpiene orogenese hoofdzakelijk door breukwerking verstoord en liggen bijgevolg hoofdzakelijk subhorizontaal (deklagen en dekmantel).

Het Paleozoïcum bevat twee cyclussen van sedimentatie en gebergtevorming: 1. Cambrium-Ordovicium-Siluur: vooral leistenen en kwartsieten werden gevormd, die daarna intensief werden geplooid tijdens de Caledonische gebergtevorming. Deze ging gepaard met belangrijk vulkanisme, waarvan intrusies, lavastromen en vulkaanpijpen gekend zijn. Het is ontsloten in de Ardennen (Massieven van Stavelot, van Rocroi en van Serpont) en vormt het voetstuk van Brabant (Massief van Brabant) en Vlaanderen; 2. Devoon-Carboon: tijdens het Onder-Devoon ontstonden afbraakproducten van het Caledonische gebergte met conglomeraten, zandstenen en schalies. In de van het zuiden opkomende transgressie van de Midden-Devoonzee werden in toenemende mate kalkstenen en koraalriffen gevormd. Na regressie vond in het Boven-Carboon steenkoolvorming plaats in de Bekkens van Namen en de Kempen, die toen met moerassige lagunes overeenkwamen. Tijdens de Variscische gebergtevorming ontstonden het anticlinorium van de Ardennen met zwak metamorfisme, en het synclinorium van Dinant, gescheiden van het Bekken van Namen door de belangrijke Midi-verschuiving (as Namen-Luik). Dat bekken werd intens geplooid en verbrokkeld. Het reeds verharde Caledonische Massief van Brabant fungeerde als stootblok tegen deze zuidelijke actieve tektoniek, en beschermde het noordelijk gelegen Bekken van de Kempen, dat slechts verticale verzakkingen onderging.

Het Mesozoïcum wordt gekenmerkt door een afvlakking van het Variscisch gebergte tot een schiervlakte met bijbehorende afbraakgordel, gevolgd door belangrijke mariene transgressies, die nagenoeg het hele land overspoelden. Tijdens het Trias-Jura vonden continentale afzettingen plaats in de ondergrond van de noordoostelijke Kempen, terwijl in Belgisch Lotharingen afwisselende lagen zandsteen, mergel en kalksteen de zeeschommelingen van het Bekken van Parijs registreerden. De uit het Krijt voortkomende dominerende mariene krijtlagen en sporadische kleien komen in nagenoeg heel België voor. Zij dagzomen echter in Herve, Haspengouw en Hene en getuigen van een uit het westen komende Krijtzee-inundatie, die vermoedelijk het grootste gedeelte van België overspoelde.

Het Kenozoïcum omvat de geleidelijke terugtrekking in noordelijke richting van de Tertiaire en Vroeg-Kwartaire zeeën, met geleidelijke vorming van het Noordzeebekken en de gelijktijdige afbraak van het blootvallend continent. Tijdens het Paleogeen werden zand- en kleilagen afgezet in een ondiepe zee, die eveneens het Bekken van Londen en van Parijs omvatte, met in België een noord-zuid kustlijn langs de rand van de Ardennen. Op het einde van het Oligoceen is de verre weerslag van de alpiene plooiing merkbaar, waardoor de landrug van Artesië oprees, het Bekken van Parijs droogviel, de Noordzee zich ver naar het noorden terugtrok en Engeland met het continent werd verbonden. Tijdens het Neogeen ontstonden Miocene-Pliocene stranden en ondiepe zeeafzettingen met stootsgewijze transgressies, die in afnemend belang het noorden van België overspoelden en vooral oost-west gerichte kustlijnen ontwikkelden. De laatste van deze reeks transgressies is uitgelopen tot in het Kwartair. Verdere opheffing van de Ardennen vond plaats, alsook daling van het Noordzeebekken tot in het Kwartair.

Het Kwartair omvat hoofdzakelijk continentale afzettingen gedurende de glaciale perioden en deels mariene afzettingen gedurende de gematigde interglaciale perioden. In het Pleistoceen werd riviergrind van de Maaspuinkegel afgezet in Limburg en grind en zand van de Schelde in Binnen-Vlaanderen; eolische dekzanden ontstonden in het noorden en löss in Midden-België vooral, van Würm-ijstijdouderdom.

Sporadisch mariene zanden en kleien getuigen van Laat-Kwartaire transgressies in het noorden van Vlaanderen tijdens interglaciale perioden. Tijdens het Holoceen vonden mariene zand- en kleiafzettingen in de Zeepolders en Scheldepolders en duinvorming plaats. Alluviale klei, zand en veen werden gevormd langs de rivieren.

Vorige
| | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum