Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 5 van 6
Antwerpen [stad, België]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Grondgebied; 2. Bevolking; 3. Stadsfuncties; 4. Openbare dienstverlening; 5. Onderwijs en culturele instellingen; 6. Recreatie en toerisme; 7. Verkeer; 8. Stadsbeeld; 9. Geschiedenis
Door de aanleg van de Ring (1969) werd de kruising van de autosnelwegen E17 en E19 goed opgevangen (o.m door de Kennedytunnel en de Craeybeckstunnel, 1982). Een expresweg Antwerpen–Knokke sluit aan bij de Imalso–Scheldetunnel (1933). De Liefkenshoektunnel ligt ten noorden van de stad.
De luchthaven van Deurne heeft een beperkte capaciteit: 165 000 passagiers en 630 ton vrachtgoed. De ligging van het vliegveld binnen de agglomeratie is een belemmering voor verdere uitbreiding.
Ondanks de opening van een eerste metrolijn (Groenplaats–Centraal Station) in 1975 en de uitbreiding van het net (53, 1 km tramlijn, 2,6 km premetro en 175,2 km buslijnen in 1986) daalt het aantal reizigers constant. In 1986 werden in totaal 51,9 miljoen reizigers vervoerd (22% minder dan in 1970).
De oudste stadskern bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het Steen en het Vleeshuis (o.a. Burchtgracht). Het gebied dat zich van ca. 1100 tot in de 16de eeuw uitbreidde tot aan de halfcirkelvormige begrenzing van de grote leien, heeft een zeer dichte bebouwing en ontwikkelde zich van woongebied meer en meer tot zaken- en winkelcentrum met de Meir als kern. Na ingrijpende slopingswerken, o.a. in de omgeving van het Vleeshuis, werd sinds de jaren zeventig gepoogd de historische stadskern haar vroegere bestemming van woongebied en ontmoetingsplaats terug te geven (zie § 8.3). Het stadsgedeelte tussen de leien en de voormalige vestinggordel bestaat vnl. uit 19de-eeuwse woonwijken, met als belangrijkste verkeersassen Turnhoutsebaan en Mechelse Steenweg. De Offerandestraat was de eerste Antwerpse winkel-wandelstraat (sinds 1971). Het aantal autovrije straten en pleinen breidde zich in de jaren zeventig snel uit, vooral in de oude stad, waar zich echter geen enkel park bevindt. Het Stadspark, het Koning Albertpark en de Zoo (dierentuin) liggen in het 19de-eeuwse stadsdeel. De zuiderdokken voor binnenscheepvaart werden herschapen in een reusachtig plein. Buiten de Kleine Ring is de bebouwing minder dicht en kwamen sinds het einde van de 19de eeuw wijken met meer groenvoorzieningen tot stand, waardoor de bebouwing op vele plaatsen met de oorspronkelijke dorpscentra van de randgemeenten tot één groot stadsgebied is samengesmolten. Naar het noordoosten in de bos- en parkrijke Kempische randgemeenten ontstonden residentiële villawijken.
De kerkelijke architectuur vindt haar belangrijkste exponent in de Brabants hoog-gotische O.-L.-Vrouwkathedraal met ruim koor en kooromgang (1352–1411; thans fraai gerestaureerd), een vijfbeukig schip met langskapellen, die tot één ononderbroken kapel zijn opengewerkt, later aangebouwde straalkapellen en dwarsbeuken (15de eeuw). De westgevel heeft twee torens, waarvan de fundamenten gelegd zijn door P. Appelmans (bouwmeester van 1419 tot 1434). Alleen de 123 m hoge noordelijke toren is door R. II Keldermans en D. de Waghemakere voltooid (1521). De achthoekige vieringskoepel dateert van 1535. Het barokmeubilair, o.a. biechtstoelen van P. Verbruggen (ca. 1650) en M. van der Voort en een preekstoel (1713) van deze laatste, is opmerkelijk, evenals het beeldhouwwerk: madonnabeelden, grafbeelden van Isabella van Bourbon (1478) en bisschop Capello (1676). Tevens bevinden zich hier befaamde schilderijen van Rubens: Kruisoprichting (1611), Verrijzenis (1612), Kruisafneming (1614) en Hemelvaart van Maria (1626). Een drietal glasramen stamt uit de 16de en 17de eeuw. De laat-gotische St.-Andrieskerk (1514–1529), aan D. de Waghemakere toegeschreven, heeft een lantaarntoren (E. Baets) en een toren met barokke spits (beide 18de-eeuws). Het hoofdaltaar is van P. Verbruggen (1665); beelden en schilderijen (o.a. portret van Maria Stuart door P. Pourbus) zijn opmerkelijk. De vroeg-barokke St.-Augustinuskerk (W. Cobergher, 1615–1618) bevat schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck en Jordaens. De barokke St.-Carolus Borromaeuskerk, voormalige jezuïetenkerk (F. Aguilon, P. Huyssens, 1614–1624), bezit fraaie biechtstoelen en lambriseringen (J.P. van Baurscheit de Jonge, 1718–1721), een orgelkast van Forceville en beeldhouwwerk van Frans Duquesnoy en Artus Quellinus de Oude. Bij een brand in 1718 zijn de plafondschilderingen van Rubens verloren gegaan. De laat-gotische St.-Jacobskerk (H. I en D. de Waghemakere en R. II Keldermans, 1491–ca. 1533) heeft ongemeen rijk barokmeubilair: hoofdaltaar van W. Kerricx en Artus Quellinus de Jonge (1686), koorgestoelte van O. Herry (1658), doksaal van S. de Neve (1669–1670) met orgel J.B.Forceville (1713). Tevens schilderijen van Rubens (die er begraven ligt) en Jordaens, een hoororgel van Forceville en talrijke grafkapellen. Ook de laat-gotische St.-Pauluskerk (toegeschreven aan D. de Waghemakere, ca. 1533–1571) met barokke toren (1679–1681) heeft rijk barokmeubilair (preekstoel van Artus Quellinus de Jonge), beelden en schilderijen (Rubens, Van Dyck, Jordaens). Het imposante orgel (17de–19de eeuw) is in 1995 gerestaureerd. Buiten, tegen de zuidmuur, bevindt zich een merkwaardige Calvarieberg (1700–1740). In 1968 werden de kerk en het aanpalende kloosterpand zwaar door brand beschadigd. De restauratie werd opgedragen aan de architecten L. Williame en H. Huygh. Het laat-gotische begijnhof (kerk uit 1546) werd eind jaren zeventig grondig gerestaureerd.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |