Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Afrikaanse muziek

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 2 van 2

Afrikaanse muziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Pygmeeënmuziek uit Centraal-AfrikaPygmeeënmuziek uit Centraal-Afrika
Artikeloverzicht

4. Melodie en vorm

Vocale melodieën zijn in het algemeen gebouwd op de diatonische toonladder (zie diatoniek). Doorgaans is het verloop van een Afrikaanse melodie als volgt: een sterke stijging aan het begin wordt gevolgd door een geleidelijke melodiedaling. Dan weer een plotseling stijgen, weer gevolgd door een geleidelijk dalen. De melodische tendens is telkens een hoge, plotselinge inzet en een geleidelijk dalen op deze zigzagmanier. Er treedt geen verandering van ‘toonsoort’ op. De melodiek van de instrumenten is veel complexer, zoals ook de stemmingen van bepaalde instrumenten (met name xylofoons) een van de diatonie afwijkende temperatuur hebben. De bekendste vorm is antifonie, het afwisselend zingen door solist (voorzanger, leider) en koor, waarbij de solist grotendeels improviserend te werk gaat, terwijl de antwoordende koorpartij ongewijzigd blijft. In West-Afrika komt de canonvorm zeer veel voor. Ook meerstemmigheid is geen zeldzaamheid: het simultaan laten klinken van meer dan één toonhoogte door verschillende zangers resp. musici. Het zingen in parallelle tertsen, kwarten en kwinten is algemeen verbreid, terwijl ook andere vormen van meerstemmigheid wel voorkomen.

5. Functie

Van een scheiding tussen ‘kunstenaar’ en ‘publiek’ in westerse zin is in Afrika slechts in enkele gevallen sprake. Kunst, dus ook muziek, maakt deel uit van ieders dagelijks leven. Dit houdt tevens in dat aan muziek en dans door vrijwel iedereen wordt deelgenomen. Uitzonderingen hierop zijn professionele, reizende zangers, musici uit de hofhouding van enkele hoofden, en andere specialisten. Muziek speelt bovendien een grote rol als verstrooiingsmiddel, bij religieuze gelegenheden (geboorte-, inwijdings-, huwelijks-, begrafenisritueel), als middel voor sociale controle (spotliederen op politici bijv.), als ondersteuning bij zware coöperatieve arbeid bij de landbewerking, bij het roeien e.d. In tegenspraak met de feiten is, dat de magie een overheersende rol zou spelen in het muzikale leven. Een Tutsi-trom kan inderdaad magische kracht bezitten, maar belangrijker is dat hij tevens politieke (koninklijke) macht symboliseert.

6. Kerkmuziek

Vele christelijke negerkerken hebben tegenwoordig een plaats ingeruimd voor de inheemse muziek in hun liturgie, daar de Europese traditionele kerkzang te grote problemen oplevert wat betreft taal, melodie, ritme en instrumentatie. Er zijn thans missen in gebruik waarin Gregoriaanse melodieën (zie Gregoriaanse muziek) worden afgewisseld met muziek in Afrikaans idioom met traditionele toepassing van trommels, de half-improviserende voorzanger en zelfs dansen. Ook in de protestantse kerken is een dergelijk streven naar ‘Afrikanisatie’ van de liturgie door overname van Afrikaanse muziek merkbaar.

7. Amusementsmuziek

De geschiedenis van amusements- en populaire muziek gaat terug tot het begin van de 20ste eeuw. De Europese nederzettingen groeiden uit tot grote steden, ontmoetingsplaatsen van Afrikanen, Europeanen en terugkerende slaven. Men maakte er kennis met de militaire kapellen van de garnizoenen, de calypso van zwarte matrozen en soldaten die terugkeerden uit het Caribisch gebied, en de samba van de vrijgelaten slaven uit Brazilië. Omstreeks de eeuwwisseling ontstonden in de kustplaatsen van Ghana de eerste dansorkesten. De elitaire highlife muziek werd door het arme deel van de bevolking geïmiteerd op gitaren en Afrikaanse trommels: ‘palmwine-highlife’, in Nigeria juju genoemd. In de jaren zestig werden de akoestische gitaren vervangen door elektrische. De elitaire dansorkesten speelden toen jazz- en popmuziek, maar een hernieuwde belangstelling voor de eigen tradities in de jaren zeventig betekende een terugkeer naar traditionele Afrikaanse ritmes, melodieën, instrumenten en lokale talen. Pas ca. 1940 combineerden muzikanten uit Frans Kongo en Belgisch Kongo de verschillende gitaarstijlen uit de Engelstalige landen met hun eigen traditionele muziek, waarbij met name de invloed van Cubaanse muziek (rumba) groot was. Vanaf midden jaren zestig deed ook hier de elektrische gitaar zijn intrede, en werden blazers toegevoegd. De muziek werd bekend als soukous, de latere ‘disco-variant’ als makossa. Als reactie op de toenemende invloed van de Kongolese popmuziek werd in Mali en Senegal eind jaren zeventig de eigen traditionele muziek gemoderniseerd door bijv. de kora te vervangen door een gitaar. In Oost-Afrikaanse landen zijn populaire muzieksoorten als de tarabu geënt op Arabische muziek en tegenwoordig vooral op Indiase filmmuziek. De basis van de populaire muziek in Zuid-Afrika is de marabi, een mengeling van de melodieuze Zoeloe-muziek en Amerikaanse ragtime, die in de jaren twintig werd ontwikkeld in de townships. Typerend voor deze muziek is het harmonische schema tonica-subdominant-tonica-dominant dat steeds herhaald wordt. Uit dit genre ontstonden kwela, gespeeld op een fluitje, eventueel aangevuld met gitaar, bas, saxofoon, piano, enz.; mbube, gezongen door een koor van 8 à 10 mannelijke zangers; mbaqanga, popmuziek; township jazz, de Zuid-Afrikaanse variant van Amerikaanse jazz.

Vorige
|
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum