Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Afghanistan

Resultaten van Windows Live® Search

  • AFGHANISTAN

    AFGHANISTAN ... Algemeen Afghanistan ligt in Zuid-Azië ten noorden en westen van Pakistan en ten oosten van Iran.

  • NOSJOURNAAL - Missie Afghanistan

    Miljoenen Afghanen hebben hulp nodig om aan eten te komen. De voedselprijzen zijn fors gestegen.

  • afghanistan.startpagina.nl

    De Afghanistan startpagina van Nederland ... Welkom!Afbeelding Bamiyan Boeddha van Martine Jacobs stuur mij een bericht

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 6 van 7

Afghanistan

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag van AfghanistanVlag van Afghanistan
Artikeloverzicht

5.6 Burgeroorlog

De strijd tegen het communistische bewind had inmiddels het karakter van een burgeroorlog aangenomen. De diverse organisaties van moedjahedien (verzetsstrijders) beheersten al spoedig grote delen van het platteland. Formeel op basis van een vriendschapsverdrag van 7 november 1979 intervenieerde de Sovjet-Unie op 27 december door middel van een grote invasie. De in Russische ogen onberekenbare bondgenoot Amin werd terechtgesteld en vervangen door de Parcham-politicus Babrak Karmal. Deze streefde tevergeefs naar toenadering tot het verzet. Landhervormingen werden teruggedraaid en de rol van de islam werd opgewaardeerd.

Het Afghaanse leger, dat te kampen had met een laag moreel en massale desertie, en de sovjettroepenmacht die uitgroeide tot 120 000 man, slaagden er evenwel niet in de vooral vanuit Pakistan en Iran gesteunde moedjahedien te verslaan. Naar schatting 4,5 à 5 miljoen Afghanen vluchtten voor het oorlogsgeweld naar Pakistan en Iran. De met o.a. Amerikaanse wapens uitgeruste moedjahedien beheersten niet alleen grote delen van het platteland, maar vielen ook strategische verbindingen (zoals de Salangtunnel) en grote steden (Herat, Kandahar en Koendoez) aan. Hun organisaties in Peshawar (Pakistan) hadden zich, ondanks grote onderlinge meningsverschillen, in één front gebundeld.

Op 4 mei 1986 moest Karmal onder Sovjetdruk het veld ruimen als partijleider en later ook als president voor Mohammed Nadjiboella. Deze poogde de basis van het regime in Kabul te verbreden door ook niet-communisten in de regering op te nemen en (tevergeefs) toenadering te zoeken tot islamitische leiders en ex-koning Zahir Shah, die in ballingschap in Rome verbleef. De nieuwe sovjetpartijleider M. Gorbatsjov liet inmiddels weten de Russische militaire aanwezigheid in Afghanistan te willen beëindigen.

Mede daardoor kwam er vooruitgang in het indirecte vredesoverleg, dat onder bemiddeling van de VN in Genève tussen Afghanistan en Pakistan plaatsvond. Op 14 april 1988 leidde dit tot een akkoord, dat mede-ondertekend werd door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Overeenkomstig dit akkoord verlieten onder VN-toezicht (UNIMAG, United Nations Implementation Assistance Group) op 15 februari 1989 de laatste Russische troepen Afghanistan.

Het akkoord van Genève bracht echter geen bestand mee. De diverse organisaties van moedjahedien verhevigden hun aanvallen en weigerden met het communistisch bewind in Kabul te onderhandelen over een overgangsregering. Op 18 februari 1989 vormden zij een regering in ballingschap.

Terwijl de burgeroorlog onverminderd woedde, probeerden de VN te bemiddelen. In 1991 spraken de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie af alle wapenleveranties aan enerzijds de moedjahedien en anderzijds de Afghaanse regering per 1 januari 1992 te staken. De moedjahedien voerden de druk op Kabul dusdanig op dat op 15 april 1992 Nadjiboella werd afgezet door een militaire Staatsraad.

De Staatsraad onder Abdul Rahim Hatif begon onmiddellijk onderhandelingen over de machtsoverdracht met commandant Ahmed Shah Massoud van de Jamiat-i-Islami. Op 25 april bereikten zes van de zeven grootste verzetsgroepen in Peshawar (Pakistan) overeenstemming over de vorming van een raad van 50 leden, die de macht in Kabul moest overnemen. In Afghanistan werd de islamitische staat uitgeroepen. Bars werden gesloten, vrouwen opgeroepen de sluier te dragen en het islamitisch strafrecht werd ingevoerd (zie islamitisch recht). De verzetsbewegingen in en rond Kabul raakten echter onderling slaags, waarbij vele doden vielen. In maart 1993 tekenden president Burhanuddin Rabbani (sinds juni 1992 formeel in functie) en zijn rivaal Gulbuddin Hekmatyar een akkoord dat een einde moest maken aan de onderlinge gevechten. Rabbani zou president blijven tot 18 maanden na 30 december 1992, de dag waarop hij voor twee jaar werd gekozen. Hekmatyars Hezb-i-Islami factie zou de minister-president en daarmee de regering mogen benoemen. Hekmatyar werd vervolgens minister-president in juni, maar niet dan nadat er nogmaals onderlinge gevechten waren uitgebroken.

5.7 De Taliban

Door de strijd tussen de verschillende krijgsheren viel het land langs etnische lijnen uiteen. Centraal gezag ontbrak en de bevolking viel ten prooi aan sociale chaos, politieke willekeur en banditisme. In deze context kwam een nieuwe beweging naar boven drijven: de Pathaanse militie van de Taliban (in naam religieuze studenten, maar veelal eenvoudige dorpsjongens). Najaar 1994 maakten zij zich onder leiding van de mysterieuze leider molla Mohammed Omar meester van een groot deel van het land. In september 1996 viel Kabul zonder slag of stoot in hun handen. Zij hingen de vroegere communistische leider Nadjiboella in het openbaar op en dwongen de bevolking tot een strikte naleving van hun extreme interpretatie van de islamitische wet. Het centrale gezag en de orde werd hersteld maar ten koste van sociale en politieke rechten en vrijheden. Bioscopen, voetbalstadions, meisjesscholen en televisiestations werden gesloten. Vooral religieuze minderheden (sjiieten) en vrouwen werden onderdrukt. Vrouwen mochten niet meer buitenshuis werken en geen onderwijs volgen, en werden verplicht tot het dragen van een burqa, een gewaad dat het hele lichaam bedekt en slechts ruimte voor de ogen openlaat.

Een monsterverbond tussen de verjaagde president Rabbani, de Oezbeekse krijgsheer Dostum, de Tadzjiekse aanvoerder Massoud en de sjiitische Hezb-i-Wansat van Abdul Karim Khalili kon niet verhinderen dat eind 1996 tweederde deel van het land in handen van de Taliban viel. Na internationale druk verklaarden beide partijen zich in 1997 bereid tot een vergelijk, maar wat volgde was een politieke impasse. Sociaaleconomisch stond het land aan de afgrond. Volgens een VN-rapport uit 1997 stierf een kwart van de baby’s tijdens het eerste levensjaar, werden Afghaanse burgers dagelijks slachtoffer van landmijnen, veroorzaakten de economische blokkades door de verschillende milities hongersnood en konden internationale hulporganisaties hun werk vaak niet uitvoeren. Honderdduizenden ontvluchtten het land naar vooral Pakistan en Iran. Bovendien werd het noordoosten van Afghanistan begin februari 1998 getroffen door een zware aardbeving, die naar schatting 4500 slachtoffers eiste.

Nadat de Noordelijke Alliantie door interne twisten uiteen was gevallen, begonnen de Taliban een nieuw offensief en veroverden de noordelijke provinciale hoofdsteden Maimana en Shiberghan. Op 8 augustus 1998 trokken Talibanstrijders Mazar-e-Sharif binnen en richtten een bloedbad aan onder de sjiitische bevolking. Dit leidde tot grote internationale verontwaardiging en een verder isolement van het Talibanregime. Door de moord op acht Iraanse journalisten en diplomaten door de Taliban raakten Iran en de Taliban op voet van oorlog. Slechts VN-bemiddeling kon een daadwerkelijke oorlog voorkomen. In Afghanistan zelf gingen, ondanks herhaaldelijke vredesinitiatieven, de gevechten door. In mei 1999 veroverden de Taliban de stad Bamian in Centraal-Afghanistan, waarmee ze 90% van het land controleerden.

Vanaf zomer 1998 kwam Afghanistan sterker in het internationale voetlicht omdat de Taliban de door de VS gezochte terrorist Osama bin Laden en strijders van diens organisatie al-Qaida onderdak verschaften. Op 20 augustus 1998 voerden de VS een aanval met kruisraketten uit op een al-Qaida kamp in Afghanistan. Dit leidde tot een verbreking van de relaties tussen de Taliban en de VS. Bij heftige anti-Amerikaanse betogingen vond een VN-medewerker de dood waarop alle internationale hulporganisaties Kabul verlieten. In november 1999 werden economische sancties tegen Afghanistan van kracht, waartoe de VN-Veiligheidsraad had besloten omdat de Taliban weigerden Bin Laden uit te wijzen aan de VS.

6. De 21ste eeuw

6.1 Talibanoffensief

Gedurende het jaar 2000 en de eerste maanden van 2001 slaagden de Taliban erin de greep op het land en de bevolking te versterken en gelijktijdig het internationale isolement van Afghanistan te vergroten.

In de omgeving van Kabul en in het noordoosten veroverden de Taliban gebied, ondanks verenigde tegenstand van krijgsheer Ahmed Shah Massoud en zijn oude vijanden Abdur Rashid Dostum en Abdul Malik. Massoud werd gesteund door Rusland, dat vreesde dat Afghanistan een uitvalsbasis voor Tsjetsjeense verzetsstrijders zou worden. De Noordelijke Alliantie werd ingesloten in het noordoosten, de thuisbasis van leider Massoud. Massoud raakte op 9 september 2001 zwaar gewond bij een aanslag en overleed enkele dagen later.

In de loop van 2000 keerden enkele honderdduizenden Afghaanse vluchtelingen terug uit Iran. In Iran verbleven nog bijna anderhalf miljoen Afghanen.

Aanvallen door de Taliban op VN-kantoren in 2000 deden de VN besluiten zich terug te trekken uit het zuiden. Het buitenshuis werken door vrouwen werd verder aan banden gelegd. De weigering van het regime om de door de VS gezochte terroristenleider Osama bin Laden uit te wijzen, leidde in december 2000 tot sancties van de VN-Veiligheidsraad. Internationale druk leek de Taliban echter niet te imponeren. In maart 2001 reageerde de wereld geschokt toen de Taliban hun dreigement om twee gigantische in de rotsen uitgehouwen boeddhabeelden uit de 4de–5de eeuw in de Bamianvallei op te blazen, uitvoerden. De UNESCO had er tevergeefs bij het Talibanleiderschap op aangedrongen de beelden te sparen. Begin mei 2001 werden de VN-kantoren op last van het Talibanregime gesloten. Dit bemoeilijkte de hulpverlening aan de ruim een miljoen Afghaanse vluchtelingen, die zwaar onder de winter hadden geleden. Eind mei kondigde het Talibanbewind een nieuwe religieuze maatregel af: niet-moslims moesten gele insignes dragen en hindoes moesten hun huizen markeren door stukjes gele stof aan de deuren te hangen. Voor niet-moslims die trachtten moslims tot het christendom te bekeren, wachtte volgens Talibanleider mullah Mohammed Omar de doodstraf. In juni dreigden de Taliban de bakkerijen van het Wereldvoedselprogramma van de VN te sluiten, omdat Afghaanse vrouwen bij de organisatie waren betrokken. Een compromis redde de voedselverstrekking aan zo’n 300 000 mensen. In diezelfde maand werd het werk van buitenlandse hulpverleners bemoeilijkt doordat de islamitische wetten van de sharia in de extreme Talibaninterpretatie ook op hen van toepassing werden verklaard. Begin augustus werden 8 westerse en 16 Afghaanse hulpverleners gearresteerd op beschuldiging van verspreiding van het christendom, waarop de doodstraf stond. In november werden ze bevrijd.

6.2 Val van de Taliban

De Verenigde Staten wezen Osama bin Laden aan als de verantwoordelijke voor de aanslagen van 11 september 2001 op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington. Overeenkomstig de VN-resoluties eiste Washington van de Taliban de onvoorwaardelijke uitlevering van Bin Laden en de leiders van diens al-Qaida-netwerk. Ook na sterke Amerikaanse en Pakistaanse diplomatieke druk bleef het Talibanleiderschap bij zijn weigering Bin Laden uit te wijzen en groeide de dreiging van een Amerikaanse militaire actie. Hierdoor ontstond een nieuwe stroom vluchtelingen, vooral richting Pakistan, maar de Pakistaanse regering beperkte de instroom.Eind september maakten de Verenigde Staten en Groot-Brittannië bekend dat speciale militaire eenheden actief waren in Afghanistan, en op 7 oktober begon de militaire operatie Enduring Freedom.

Het primaire doel van de militaire operatie, de arrestatie of uitschakeling van Osama bin Laden en diens al-Qaida-netwerk, verschoof langzaam maar zeker naar het ten val brengen van het Talibanbewind. Amerikaanse bombardementen waren er vanaf dat moment op gericht de offensieven van de Noordelijke Alliantie tegen de Talibantroepen te ondersteunen, ondanks kanttekeningen van de Amerikaanse partner Pakistan, tot 11 september 2001 de belangrijkste bondgenoot van de Taliban. De Noordelijke Alliantie, die in eerste instantie was verzwakt door de dood van haar leider Ahmed Shah Massoud nam het initiatief over, geholpen door de terugkeer van de Oezbeekse krijgsheer Abdul Rashid Dostum in haar kamp. Ook bij de Pathaanse stammen nam het verzet tegen de Taliban toe. Hamid Karzai, die vanuit Pakistan Afghanistan was binnengedrongen, ontpopte zich als belangrijk Pathaans leider. Ook oud-koning Zahir Shah, die in Rome in ballingschap verbleef, speelde een nadrukkelijke rol.

In november 2001 ging de opmars van de Noordelijke Alliantie onverwacht snel. Achtereenvolgens werden ingenomen de strategische noordelijke stad Mazar-e-Sharif, de westelijke stad Herat, en op 13 november de hoofdstad Kabul. Pathaanse anti-Talibanstrijders namen op 15 november de oostelijke stad Jalalabad in. Het al weken omsingelde Konduz, in het noorden, gaf zich op 26 november aan de Noordelijke Alliantie over. Ten slotte viel op 7 december 2001 Kandahar, het bolwerk van de Taliban, nadat de stad was ingesloten door speciale Amerikaanse eenheden en Pathaanse anti-Talibanstrijders. Van Talibanleider mullah Omar ontbrak ieder spoor. De Amerikaanse bombardementen concentreerden zich hierna op het grottencomplex bij Tora Bora, in het oosten. De Amerikanen vermoedden dat Bin Laden zich daar schuilhield, maar hij kon niet worden getraceerd.

6.3 Overgangsregering

Op 22 december 2001 werd Hamid Karzai als leider van een overgangsregering geïnstalleerd. Hieraan gingen, in het Duitse Königswinter, onderhandelingen vooraf tussen vertegenwoordigers van de diverse Afghaanse facties, onder leiding van VN-onderhandelaar Lakhdar Brahimi. Tijdens de onderhandelingen werd duidelijk dat de rol van president Burhanuddin Rabbani, die door de VN tot dat moment in zijn functie werd erkend, in de Noordelijke Alliantie was uitgespeeld. Zijn rol werd overgenomen door een jongere generatie onder leiding van Yunus Qanuni en Abdullah Abdullah. Het akkoord hield in dat voor de duur van zes maanden een overgangsregering werd benoemd die een zgn. Loya Jirga moest voorbereiden. Deze vergadering van etnische leiders, waarin een belangrijke rol was gereserveerd voor oud-koning Zahir Shah, moest een nieuwe overgangsregering voor de duur van anderhalf jaar voorbereiden, die een nieuwe grondwet moest samenstellen. Twee jaar na de Loya Jirga stonden vrije verkiezingen gepland. Een internationale troepenmacht, de International Security Assistance Force (ISAF), onder leiding van Groot-Brittannië, moest de overgangsregering steunen en beschermen. Van de ISAF-troepenmacht van zo’n 5000 militairen maakten ook Nederlandse eenheden deel uit. Tegelijkertijd bleef het Amerikaanse leger actief met de opsporing van Osama bin Laden en mullah Omar en de arrestatie en uitschakeling van al-Qaida-strijders. Doordat bij de Amerikaanse bombardementen ook een aantal burgerslachtoffers viel, groeide het verzet tegen de Amerikaanse militaire acties. Eind 2002 verscheen een VN-onderzoeksrapport, dat concludeerde dat al-Qaida bezig was met het opzetten van nieuwe trainingskampen in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan.

De interrimregering van Hamid Karzai werd in haar streven Afghanistan op te bouwen met talrijke problemen geconfronteerd. Allereerst waren er grote financiële en economische problemen. De toegezegde hulp (US$ 4,5 mld, waarvan US$ 2 mld voor 2002) bereikte Afghanistan moeizaam. Een groot probleem was de hervatte grootschalige papaverteelt voor heroïne, die de binnenlandse voedselvoorziening bedreigde. Onder het Talibanregime was de papaverteelt fel bestreden. Daarbovenop kwam in maart 2002 een aardbeving in Noord-Afghanistan, met meer dan 1800 doden en 15.000 tot 30.000 daklozen.

Karzais grootste probleem vormde het gebrek aan centraal gezag, dat leidde tot onveiligheid en banditisme. Diverse politieke aanslagen tekenden de instabiliteit. Op 6 juli 2002 werd vice-president Abdul Qadir vermoord en op 5 september ontsnapte Karzai bij een aanslag zelf ternauwernood aan de dood.

Karzai beschikte niet over een regeringsleger, en het mandaat van de internationale troepenmacht ISAF bleef beperkt tot Kabul, ondanks herhaaldelijke oproepen van Karzai en VN-secretaris-generaal Annan om het mandaat te verbreden tot buiten Kabul en de troepenmacht uit te breiden. Buiten Kabul lag de macht in handen van de verschillende krijgsheren, die al snel de wapens weer oppakten

In deze instabiele situatie vond in juni 2002 de Loya Jirga, de vergadering van stamoudsten, plaats. De vergadering, die moest leiden tot de installatie van een nieuwe president, regering, en parlement, verliep moeizaam. Karzai werd met 80% van de stemmen gekozen tot president, maar kreeg ernstige kritiek van zijn Pathaanse achterban. Ten eerste was er de Amerikaanse druk op ex-koning Zahir Shah om ten gunste van Karzai geen hoofdrol op te eisen. Dit om kritiek van de noordelijke niet-Pathaanse partijen op een Pathaanse dominantie de wind uit de zeilen te nemen. Voorts was er ernstige Pathaanse kritiek op de samenstelling van Karzais nieuwe regering, die de Tadzjiekse invloed bestendigde. De Loya Jirga slaagde er niet in een nieuw parlement te kiezen.

In 2003 werd een ontwerp-grondwet opgesteld, die in 2004 door een nieuwe Loya Jirga werd aangenomen. In de grondwet kregen man en vrouw gelijke rechten en werd een presidentieel stelsel ingevoerd, zonder premier. Afghanistan werd een islamitische republiek; geen enkele wet mocht strijdig zijn met de islam.

Op 9 oktober 2004 vonden presidentsverkiezingen plaats, waarvoor 18 kandidaten waren en waarbij een opkomst van 70% werd bereikt. Zittend interim-president Hamid Karzai kwam met ruim 55% van de stemmen als winnaar uit de bus.

In Karzais nieuwe regering werd de invloed van de lokale krijgsheren beperkt, doordat een aantal van hen niet terugkeerde op hun ministersposten, waaronder de Tadzjiekse krijgsheer Fahim.

Vorige
| | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum