Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Rimski-Korssakov, Nikolaj Andrejevitsj

Resultaten van Windows Live® Search

Rimski-Korssakov, Nikolaj Andrejevitsj

Encyclopedieartikel
Multimedia
Sheherazade van Rimski-KorssakovSheherazade van Rimski-Korssakov

Rimski-Korssakov, Nikolaj Andrejevitsj (Tichvin 18 maart 1844 – Ljoebensk 21 juni 1908), componist en pedagoog, volgde een opleiding aan de marineschool te St.-Petersburg, studeerde daarnaast cello en piano en werd beïnvloed door Balakirev. Hij trad toe tot Het Machtige Hoopje en werkte tijdens een reis als marineofficier (1862–1865) aan zijn eerste symfonie. In 1871 werd hij leraar compositie en instrumentatie aan het conservatorium in St.-Petersburg (tot 1905); in 1873 werd hij inspecteur van alle Russische marineorkesten (tot 1884) en in 1883 assistent van de directeur van de keizerlijke kapel (Balakirev). Aan het einde van de jaren tachtig componeerde hij een aantal virtuoze orkeststukken, w.o. Spaans capriccio (1887).

Sedert de jaren negentig concentreerde hij zich vooral op het componeren van opera's. Intussen bekwaamde hij zich verder in de muziektheorie en werd een zeer gezocht muziekpedagoog (tot zijn leerlingen behoorden o.a. Strawinsky, Steinberg en Prokofjev). Zijn studie, m.n. op het gebied van het contrapunt, leidde ertoe dat hij vele van zijn eerder ontstane werken opnieuw bewerkte; zo werkte hij zijn 2de symfonie uit 1868 in 1876 om (en in 1897 nog eens, als symfonische suite Antar) en van zijn opera Pskovit-Pskov, ook bekend onder de titel Ivan de Verschrikkelijke, uit 1873 maakte hij in 1895 een nieuwe bewerking. Na 1905 wijdde Rimski-Korssakov zich geheel aan de compositie.

In vakmanschap overtrof hij de andere componisten van Het Machtige Hoopje; opvallend is vooral zijn kleurrijke instrumentatiekunst (invloed van Berlioz). Ook werken van andere componisten (o.a. opera Boris Godoenov van Moessorgski) heeft hij – soms op zeer eigenzinnige wijze – georkestreerd of 'gecorrigeerd'. Zijn muziekdramatisch werk (vijftien opera's, vnl. op eigen libretti) is volstrekt episch en is voor een groot deel gebaseerd op ritme en melodie van het Russische volkslied. De strenge vormvoorschriften van de symfonie lagen hem slecht; hij schreef er slechts drie, alsmede een sinfonietta (1879) en de symfonische suite Sheherazade (1888), zijn meest gespeelde orkestwerk. Van belang zijn ten slotte zijn pedagogische en muziektheoretische geschriften.

WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Ouverture op. 28 (1866; omgew. 1880); Skaska (= Sprookje, 1880); pianoconcert (1883); Ouverture Het grote Russische Paasfeest (1888); Nad mogiloj (= Op het graf, 1904); Doebinoesjka (1905; m. koor ad lib.). – Opera: Majskaja notsj (= Meinacht, 1880); Snegoerotsjka (= Sneeuwmeisje, 1882); Notsj pered rosjdestvom (= Kerstnacht, 1895); Sadko (1898); Mozart i Salieri (1898); Kasjtsjej bessmertnyj (= De onsterfelijke Kasjtsjej, 1902); Skazanije o nevidimom grade Kitesje i deve Fevronii (= De sage van de onzichtbare stad Kitesj en jonkvrouw Fevronia, 1907); Zolotoj petoesjok (= De gouden haan, 1909). – Geschriften: Praktitsjeski oetsjebnik garmonii (= Praktisch leerboek der harmonie, 1884, 191949; Duits: 1895; Fr.: 1910); Letopis mojej moezykalnoj zjizni (= Kroniek van mijn muziekleven, 1909; Eng. vert. 31942, herdr. 1974; Duitse vert. 1968); Ossnovy orkestrovki (= Grondslagen van orkestratie; uitg. d. M.O. Steinberg, 1913; Eng. vert. 1922, herdr. 1964).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum