![]() Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigde Oost-Indische Compagnie |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Verenigde Oost-Indische CompagnieEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Ontstaansgeschiedenis; 2. Een Aziatisch handelsimperium; 3. De compagnie als staat; 4. De ondergang van de VOC
Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), in 1602 onder druk van de Staten-Generaal en op initiatief van Johan van Oldenbarnevelt opgerichte particuliere handelscompagnie die gedurende de 17de en 18de eeuw het monopolie op alle Nederlandse scheepvaart en handel op Azië had. Eind 1799 ging het bedrijf ten onder en nam de Nederlandse staat alle schulden en bezittingen over.
Tegen het einde van de 16de eeuw raakten Nederlandse kooplieden geïnteresseerd in de specerijenhandel op Azië, mede omdat het Portugese monopolie op deze handel wankelde en Nederlandse schepen die Iberische havens aandeden door de Spanjaarden werden geconfisqueerd. Aanvankelijk werd getracht via de Noordelijke IJszee een route naar Azië te vinden, waarbij in 1594 een expeditie onder leiding van Willem Barentsz strandde op Nova Zembla. Een jaar later vertrok een door overwegend Amsterdamse kooplieden gefinancierde expeditie van vier schepen onder leiding van Cornelis de Houtman naar Zuidoost-Azië, waarbij via Kaap de Goede Hoop werd gevaren in de richting van de specerijeneilanden. In juli 1596 kwamen de schepen voor de kust van Java aan. Andere expedities volgden, waarbij de commerciële resultaten pover waren. De komst van Nederlandse schepen in de Indische archipel dreef de inkoopsprijzen voor specerijen juist op, terwijl Aziatische en Engelse concurrenten op de loer lagen. Tegen deze achtergrond besloten op initiatief van Johan van Oldenbarnevelt de Staten-Generaal de verschillende compagnieën die zich met de handel op Azië bezighielden te dwingen zich te verenigen in één onderneming. De Staten-Generaal verleenden deze nieuwe onderneming, die als naam de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) kreeg, op 20 maart 1602 in een zogeheten octrooi allerlei bijzondere rechten, zoals het monopolie van alle Nederlandse handel en scheepvaart op Azië, alsmede het recht om ten oosten van Kaap de Goede Hoop verdragen te sluiten en oorlog te voeren. De compagnie mocht ook forten en handelsposten bouwen en bestuurders aanstellen. In de Republiek kreeg zij zes lokale vestigingen - ‘Kamers’ – in Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. De Kamer van Amsterdam zou de helft van de kosten en werkzaamheden voor zijn rekening nemen. De Kamers waren onder meer verantwoordelijk voor het bouwen van schepen, het veilen van goederen en het aannemen van personeel. Het algemene beleid van de compagnie werd bepaald door een uit zeventien personen bestaande hoofddirectie, de ‘Heren XVII’.
Al snel zochten de Nederlanders in Zuidoost-Azië naar een plaats die zij konden gebruiken voor het verzamelen van hun schepen en het opslaan van hun handelswaar. De keus viel op Jacatra, waar de boekhouder-generaal van de VOC in Bantam, Jan Pietersz. Coen, zich namens de compagnie vestigde. In mei 1619 maakte hij na een vergeefse belegering door Engelsen, Bantammers en Jacatranen alle huizen van de inheemse bevolking met de grond gelijk. Op de puinhopen van Jacatra verrees een nieuw kasteel, spoedig Batavia genoemd. Vanuit Batavia bestuurde een gouverneur-generaal, bijgestaan door een Raad van Indië, een gestaag groeiend handelsimperium met vele vestigingen, van het in 1652 gestichte verversingsstation Kaap de Goede Hoop tot het kunstmatige eilandje Desjima in de baai van Nagasaki in Japan. Om het monopolie op de specerijenhandel vanuit de Molukken te verwerven, veroverde de VOC onder leiding van Coen in 1621 het eiland Banda, waarbij de lokale bevolking deels werd verdreven en deels werd omgebracht, en werd de Engelse concurrentie op Ambon in 1623 met geweld uitgeschakeld. Van een echt specerijenmonopolie was overigens pas later in de 17de eeuw sprake, toen de VOC in het gebied nog meer steunpunten verwierf. Tijdens het bestuur van gouverneur-generaal Anthony van Diemen (1636-1645) breidde de VOC haar handelsnetwerk in Azië snel uit. In India werden verschillende Portugese handelsposten veroverd, terwijl ook begonnen werd met de vestiging van de compagniesmacht op Ceylon (Sri Lanka). In 1641 werd ook de strategisch gelegen havenplaats Malakka op de Portugezen veroverd. In Oost-Azië werd de VOC geconfronteerd met sterke Aziatische machten, waardoor zij daar haar handelspolitiek aanpaste. In Japan kon de compagnie zich uitsluitend handhaven door in 1641 allerlei Japanse voorwaarden voor haar aanwezigheid te accepteren en zich op een kunstmatig eilandje in de baai van Nagasaki terug te trekken. Het was het begin van de Nederlandse handelspost Desjima, die 212 jaar zou bestaan. Op het eiland Formosa (Taiwan) verliep het de VOC minder voorspoedig. Aanvankelijk had de compagnie het eiland gebruikt als uitvalsbasis voor de handel met China, maar vanaf 1630 werd geprobeerd Formosa te koloniseren, er rijst en suiker te verbouwen en voor huiden herten te jagen. In 1662 werden de Nederlanders echter door de Chinese admiraal Guo Xingye (in Nederlandse annalen beter bekend als ‘Coxinga’) van het eiland verdreven. Uiteindelijk beheerde de VOC een handelsnetwerk dat zich uitstrekte van Jemen via Perzië, de kusten van India, Ceylon, Arrakan (in het huidige Birma), Malakka, Siam (Thailand), de Indische archipel, Vietnam, China tot Japan. Een belangrijk probleem waarmee de VOC zich net zoals haar Europese concurrenten in Azië gesteld zag, was het feit dat de Aziaten nauwelijks in Europese producten geïnteresseerd bleken te zijn. De export vanuit Europa naar Azië bestond daarom voor een belangrijk deel uit goud en zilver, hoewel de VOC er ook in slaagde in Azië zelf de hand op deze edelmetalen te leggen. Vooral Japan was voor de compagnie een belangrijke leverancier van edelmetaal, aanvankelijk van zilver, later van goud. Daartegenover stond een invoer van zijde, textiel, huiden, suiker en andere producten. Uiteraard was het voor de VOC niet mogelijk haar activiteiten uitsluitend met goud en zilver te financieren. Vandaar dat de compagnie zich reeds vanaf het begin van haar aanwezigheid in Azië aansloot bij plaatselijke en regionale handelsnetwerken. Ook voor Coen was het al duidelijk geweest dat deze ‘inter-Aziatische handel’ voldoende zou moeten opleveren om daarmee de export naar Europa te kunnen financieren. De VOC onderhield hiertoe in Azië een eigen vloot van zo’n tachtig schepen, die tussen verschillende Aziatische havens allerlei producten vervoerden. Tegen betaling van zilver en goud werden op de markten van Coromandel, Suratte en Bengalen in India katoenen stoffen aangekocht en in de Indische archipel geruild voor specerijen. De huiden uit Siam en Arrakan werden weer in ruil voor edelmetaal naar Japan geëxporteerd. Het belangrijkste product dat naar Europa werd vervoerd, was peper, dat op de vrije markt in Bantam, Zuid-Sumatra en op de kust van Malabar in India werd ingekocht. Koffie werd ingekocht in Mokka aan de Rode Zee. Ondanks een scherpe controle van de zijde van de Arabieren slaagde de VOC er zelfs in uit deze plaats enkele koffieplantjes mee te smokkelen, waarmee op Java en Ceylon de koffiecultuur werd gestart. In China werden in ruil voor peper weer thee en porselein gekocht. Ook andere artikelen speelden een rol in het inter-Aziatische handelsverkeer van de VOC: sandelhout uit Timor, slaven uit diverse gebieden, tin uit Malakka, maar ook rijst voor Batavia en Ceylon.
Hoewel het de VOC primair om de handel te doen was, werd zij langzaam maar zeker ook een territoriale macht, op Ceylon en in de Molukken, maar vooral op Java. In 1678 kwam Semarang in bezit van de VOC, te zamen met enkele andere havens langs de kust van Tegal tot Soerabaja. Verder claimde de VOC de soevereiniteit over de zogeheten Ommelanden van Batavia en de Preanger – het gebied ten zuiden van de Ommelanden. In het laatste gebied introduceerde de compagnie in het begin van de 18de eeuw de koffiecultuur. Zij verbouwde de koffie in samenwerking met de ‘regenten’ van het gebied, plaatselijke ambtenaren van de susuhunan van het machtige Javaanse rijk Mataram. Ook met de interne ontwikkelingen van dit laatste rijk bemoeide de VOC zich. Hierbij maakte uiteindelijk susuhunan Pakoeboewono II zich afhankelijk van de Nederlanders door tijdens een tegen hem gerichte opstand van Chinezen en Javanen de hulp van de compagnie in te roepen. In december 1749 gaf hij op zijn sterfbed zelfs ‘alle gezag, magt en authoriteyt’ over zijn rijk aan de Nederlanders, hetgeen niet door iedereen werd aanvaard. Een belangrijke rivaal van Pakoeboewono II, Mangkoeboemi, riep zich daarom te Jogjakarta eveneens tot vorst van Mataram uit. Een gewapend conflict was het gevolg met als uiteindelijk resultaat de verdeling van het rijk in drie vorstendommen: Soerakarta, Jogjakarta en Mangkoenegaran. Ondanks de verdeling van het rijk van Mataram was de VOC in de tweede helft van de 18de eeuw overigens niet in staat ten oosten van Batavia meer dan de kuststrook echt te beheersen. In het binnenland kon zij haar invloed uitsluitend laten gelden door de vorstenhoven tegen elkaar uit te spelen, waarbij zij slechts wisselend succes had.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |